Het opschortingsrecht van de appartementseigenaar

1. Inleiding

In de praktijk komt het wekelijks voor dat een appartementseigenaar wordt gedagvaard tot betaling van de periodieke (voorschot)bijdragen. Hij verweert zich dan geregeld met de stelling dat hij de betaling van zijn bijdrage mag opschorten totdat de VvE bepaalde verplichtingen nakomt. Niet verwonderlijk, want het opschortingsrecht is in Nederland een veel gebruikt middel.

In deze bijdrage wordt ingegaan op de vraag onder welke voorwaarden een appartementseigenaar ten aanzien van zijn financiële bijdrage opschortingsbevoegd is. Dicht bij het opschortingsrecht ligt het recht van verrekening ex artikel 6:127 BW. Omdat opschorting breder toepasbaar is dan verrekening – namelijk ook bij niet direct op geld waardeerbare vorderingen – zal dit de rode draad in deze bijdrage vormen. Daarbij dient evenwel in gedachte worden gehouden dat veel onderstaande voorbeelden en overwegingen ook in discussies over verrekening toepasbaar zijn.

Er is sprake van een opschortingsrecht in het geval een schuldenaar die een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft, bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Het opschortingsrecht heeft een aantal functies.[1] Allereerst dient het als een pressiemiddel om de andere partij te bewegen zijn verplichtingen na te komen.[2] Daarnaast heeft het opschortingsrecht een zekerheidsfunctie voor het geval de andere partij bij insolventie niet meer in de gelegenheid zal zijn om zijn verplichting na te komen. De tweede functie is in de VvE praktijk minder van belang. De eerste functie ligt daarentegen vrijwel altijd ten grondslag aan het inroepen van het opschortingsrecht door een appartementseigenaar tegenover de VvE. Het opschortingsrecht is immers een zeer efficiënt en goedkoop pressiemiddel.

Voor de zwakkere partij in een rechtsrelatie biedt het opschortingsrecht de meeste uitkomst. Zo blijkt het gebruik van het opschortingsrecht in consumentenzaken een effectief middel om de veelal kapitaalkrachtigere leverancier zijn verplichtingen tegenover de consument na te komen. Veel appartementseigenaars zijn of beschouwen zich als zwakkere partij ten opzichte van de VvE. Het is dan ook niet verwonderlijk dat als naar het oordeel van een appartementseigenaar bepaalde zaken in de VvE naar zijn of haar mening niet gaan zoals ze behoren te gaan, regelmatig de (periodieke) bijdrage wordt opgeschort met de mededeling dat deze weer zal worden voldaan zodra de VvE haar verplichtingen nakomt. De door de opschortende appartementseigenaar gestelde verplichtingen van de VvE waaraan niet aan zou worden voldaan, blijken in de praktijk uiteenlopend; van het vaststellen van de jaarrekening tot het uitvoeren van onderhouds- of reparatiewerkzaamheden. Geregeld komt het voor dat een appartementseigenaar door opschorting van zijn (periodieke) financiële bijdrage op natuurlijke wijze zijn zin krijgt. Het opschortingsrecht als middel tot eigenrichting draagt er in de appartementsrechtelijke praktijk dan ook aan bij dat geschillen buiten de rechter om worden opgelost.[3]

Het opschorten van de financiële bijdrage aan de VvE is daarentegen ook een middel dat door querulanten wordt gebruikt om hun zin te krijgen in situaties waarin zij zich juridisch gezien bij een meerderheidsbesluit van de vergadering van eigenaars dienen neer te leggen. In die situatie is het duidelijk dat het inroepen van het opschortingsrecht door de querulant niet terecht is, maar wat nou als de VvE wel behoorlijk nalatig is? Bijvoorbeeld als tegen afspraken in bepaalde onderhoudswerkzaamheden niet worden uitgevoerd, een lekkend dak structureel door de vergadering en het bestuur wordt genegeerd of dat – ondanks de wettelijke verplichting hiertoe – het vormen van een reservefonds uitblijft. Mag een appartementseigenaar de betaling van zijn bijdrage aan de VvE dan wel opschorten? Om een antwoord op de laatste vraag te kunnen geven, moet worden gekeken naar de voorwaarden die gelden voor het rechtsgeldig inroepen van een opschortingsrecht.

2. Primaire voorwaarden opschortingsrecht

Het opschortingsrecht wordt in artikel 6:52 BW als volgt geformuleerd:

Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.

Hieruit valt op te maken dat er voor het kunnen uitoefenen van een opschortingsrecht, drie cumulatieve voorwaarden zijn, namelijk:

a. de schuldenaar moet een opeisbare vordering op de schuldeiser hebben;

b. de wederpartij van de schuldenaar komt zijn verbintenis niet na; en

c. er moet voldoende samenhang tussen de vordering en verbintenis bestaan.

Wordt aan deze drie voorwaarden voldaan, dan mag in beginsel gebruikt gemaakt worden van het opschortingsrecht. Voor de schuldenaar die gebruik maakt van het opschortingsrecht heeft dit tot gevolg dat er wat zijn verplichtingen betreft geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de opgeschorte verbintenis, zodat de schuldeiser geen nakoming, geen schadevergoeding en geen ontbinding kan vorderen.

Hieronder wordt nader op de drie voorwaarden voor opschorting ingegaan en toegepast op situaties die zich binnen de VvE kunnen voordoen.

2.1 Opeisbare vordering

Het eerste vereiste voor het kunnen inroepen van een opschortingsrecht is dat de vordering op de wederpartij niet wordt nagekomen, terwijl deze wel opeisbaar is. In het geval de vordering van de schuldenaar nog niet opeisbaar is, maar zijn schuld aan de wederpartij wel, dan zal de schuldenaar in beginsel zijn prestatie moeten leveren voordat de nakoming van zijn wederpartij is ontvangen.[4]

Het kan voorkomen dat een appartementseigenaar bezwaren heeft tegen de algemene gang van zaken binnen de VvE, het niet (voldoende) vergaderen of het achterstallige onderhoud aan het gebouw. Soms is dat terecht en soms is het onterecht. Een terecht bezwaar maakt echter nog niet dat er sprake is van een opeisbare vordering in de zin van artikel 6:52 BW. Of een vordering opeisbaar is, dient te worden vastgesteld op basis van de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst of wettelijke regeling.

Bij de beoordeling of een appartementseigenaar tegenover de VvE een opeisbare vordering heeft, dient als uitgangspunt te gelden dat de VvE een bijzonder vorm van gemeenschap is, waarop de bepalingen van titel 9 van boek 5 BW van toepassing zijn. Besluitvorming binnen de VvE is geregeld in de wet en de splitsingsakte. Een appartementseigenaar die van mening is dat de VvE een bepaald besluit zou moeten nemen of een bepaalde actie zou moeten verrichten, dient daartoe een besluit van de vergadering van eigenaars van de betreffende VvE uit te lokken. Voor zover de VvE het door de appartementseigenaar verzochte besluit afwijst, dan kan de betreffende appartementseigenaar binnen een maand na kennisneming daarvan vernietiging van het besluit ex artikel 5:130 BW bij de kantonrechter verzoeken.[5] Daarbij heeft de appartementseigenaar bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om op basis van artikel 5:121 BW een vervangende machtiging bij de kantonrechter te verzoeken. Heeft de appartementseigenaar uitsluitend bij de VvE geklaagd over bepaalde gebreken, maar geen gebruik gemaakt van specifieke appartementsrechtelijke procedures, dan kan in beginsel niet worden aangenomen dat er sprake is van een opeisbare vordering tegenover de VvE.[6]

Zo bepaalde het gerechtshof Amsterdam in 2015 dat het ontbreken van een MJOP voor een appartementseigenaar, terwijl de splitsingsakte wel een MJOP voorschrijft, geen opeisbare vordering in de zin van artikel 6:52 BW oplevert, zodat de appartementseigenaar zich niet op opschorting kon beroepen.[7]

Er zijn gevallen denkbaar waarin de appartementseigenaar een opeisbare vordering op de VvE heeft, zonder dat de specifieke en exclusieve appartementsrechtelijke procedures zijn doorlopen. Bijvoorbeeld wanneer via een gerechtelijke procedure is komen vast te staan dat de VvE tegenover een appartementseigenaar gehouden is iets te doen of na te laten, maar de VvE het vonnis of de beschikking van de betreffende gerechtelijke instantie negeert. In dat geval zou mijns inziens het opschorten van de betalingen van de appartementseigenaar aan de VvE gerechtvaardigd zijn, omdat via de daarvoor aangewezen procedures de vordering is vastgesteld, maar de VvE desalniettemin haar verplichting tegenover de appartementseigenaar nakomt.

Een ander geval waarin de appartementseigenaar een opeisbare vordering heeft zonder dat de specifieke en exclusieve appartementsrechtelijke procedures zijn doorlopen, is als de appartementseigenaar schade heeft geleden als gevolg van een gebrek aan een gemeenschappelijke zaak. Daarbij kan gedacht worden aan waterschade door een gebrek aan de gemeenschappelijke riolering, de buitenmuur of het dak. In dat kader is de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, sector kanton van 10 november 2005 (ECLI:NL:RBROT:2005:AU6062) het vermelden waard. Ook in die zaak was de VvE ernstig nalatig gebleven om een mankement aan het gemeenschappelijk riool (tijdig) te laten verhelpen. Als gevolg hiervan werden een aantal appartementseigenaars met hevige stankoverlast geconfronteerd. De betreffende appartementseigenaars hebben vervolgens de betaling van hun periodieke bijdrage aan de VvE opgeschort en hierop ook een beroep gedaan toen de VvE hen had gedagvaard ter incasso van de gestelde achterstallige bijdrage. Na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben de betreffende appartementseigenaars niet kunnen aantonen dat zij kosten hebben moeten maken als gevolg van de lekkage. Wel hebben zij aannemelijk kunnen maken dat zij een (aanzienlijk) verminderd woongenot hebben gehad, bestaande uit het geruime tijd moeten bewonen van een appartement waarin een ondragelijke stank hangt. Ten aanzien van de vraag of dit nadeel te beschouwen is als vermogensschade overwoog de kantonrechter als volgt:

Het gebruik van de aan [gedaagden] toebehorende zaak is gedurende een bepaalde periode (sterk) verminderd geweest. Dit gebruik zelf is weliswaar geen zelfstandig vermogensbestanddeel, maar de schade vindt in zoverre haar grondslag in het vermogen, nu zij voortvloeit uit een aantasting van een tot het vermogen behorend vermogensbestanddeel. Deze aantasting is op geld waardeerbaar. Ten aanzien van de omvang van die vermogensschade hebben [gedaagden] geen gedetailleerde onderbouwing geleverd. De kantonrechter beseft dat die ook moeilijk is te geven – zeker nu de beleving van de opgetreden stankoverlast niet objectief is vast te stellen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat van een concrete schadeberekening geen sprake kan zijn. Voor de begroting van de schade is van belang de duur van de inbreuk, de ernst en de aard van de aansprakelijkheid. Deze factoren tezamen leiden ertoe dat de kantonrechter de schade van [gedaagden] naar billijkheid zal schatten op € 1.000,-.

Vanaf het moment dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan en de schade is geleden, maar de omvang van de schade nog niet vaststaat, zal dit niet aan de opeisbaarheid van de vordering in de weg staan in de beoordeling of een beroep op opschorting gerechtvaardigd is.[8] Vereist is wel dat voldoende aannemelijk is dat de opschortende appartementseigenaar een vordering op de VvE heeft. De rechter kan in dat geval volstaan met een voorshands oordeel omtrent de omvang van de vordering van de schuldenaar indien nog bewijslevering of een afzonderlijke procedure moet volgen voordat de werkelijke omvang van de tegenvordering vaststaat. Het is in dat geval van belang dat de schade op zich wel voldoende wordt aangetoond. In een zaak waar de appartementseigenaar stelde dat hij schade zou hebben geleden door het vertrek van zijn huurder als gevolg van een niet betwiste aanhoudende rioollekkages oordeelde Hof Amsterdam in 2011:

(…) omdat X [de opschortende appartementseigenaar] zijn schade enkel stoelt op schade ten gevolge van de in verband met lekkages voortijdig beëindigde huurovereenkomsten waardoor hij ook nog gedwongen was zijn recht met verlies te verkopen, terwijl die schade niet aannemelijk is geworden, heeft hij geen vordering die opschorting van of verrekening met zijn betalingsverplichting [tegenover de VvE] rechtvaardigt.“.[9]

Het voldoende aannemelijk maken van een opeisbare vordering middels bewijs van schade vormt in de praktijk geregeld een struikelblok voor de opschortende appartementseigenaar, zo blijkt onder andere uit de uitspraken van de Rechtbank Haarlem, sector kanton van 6 september 2012 (ECLI:NL:RBHAA:2012:5968) en de Rechtbank Rotterdam van 27 maart 2015 (ECLI:RBROT:2015:2179). In beide procedures werd de opeisbaarheid van de vordering niet door de rechter aangenomen, omdat de partij die zich op opschorting beriep, onvoldoende gesteld of bewezen had dat zij een opeisbare vordering op de VvE hadden.

2.2 Niet-nakoming

De schuldenaar is bevoegd zijn verplichting uit een verbintenis op te schorten tot voldoening van de verbintenis van de schuldeiser tegenover de schuldenaar heeft plaatsgevonden. Uit het woord ‘tot ‘uit artikel 6:52 BW volgt dat het opschortingsrecht uitsluitend door de schuldenaar mag worden uitgevoerd zolang de wederpartij zijn verplichting van niet nakomt. Dit betekent dat het opschortingsrecht van de appartementseigenaar niet meer zal gelden zodra de opeisbare vordering door de VvE is voldaan.

De schuldenaar behoudt in beginsel het opschortingsrecht ook als de wederpartij zich ‘bereid en in staat’ verklaart na te komen. De wederpartij moet daadwerkelijk de prestatie verrichten of aanbieden.[10] Hierbij is in beginsel niet van belang of de wederpartij door de schuldenaar in gebreke is gesteld.[11] Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan wel volgen dat de schuldenaar onder bijzondere omstandigheden tegenover de schuldeiser een mededelingsplicht heeft voordat hij zich op opschorting kan beroepen.[12]

Overigens volgt uit artikel 6:54 BW dat de bevoegdheid tot opschorting van de prestatie van de appartementseigenaar eindigt zodra hij verhindert dat de VvE tegenover hem kan nakomen. Een voorbeeld hiervan is een eigenaar die de VvE niet de benodigde toegang tot zijn appartement verschaft om een gebrek aan het gebouw te herstellen waarop hij zijn opschortingsrecht baseert.

2.3 Samenhang

Het derde vereiste om een opschortingsrecht in te kunnen roepen is dat er tussen de verbintenis waarvan de schuldenaar de nakoming opschort en de opeisbare vordering die de wederpartij op de schuldenaar heeft voldoende samenhang bestaat. Uit artikel 6:52 lid 2 BW volgt dat er een dergelijke samenhang wordt aangekomen in het geval de verbintenissen over en weer uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien.

Tussen de appartementseigenaars en de VvE bestaat een rechtsverhouding. Die rechtsverhouding is gebaseerd op de wet en de splitsingsakte.[13] Uit die rechtsverhouding volgt enerzijds de plicht van de appartementseigenaar tot betaling van de (vastgestelde) bijdragen en anderzijds de verplichting van de VvE tot onder andere het plegen van behoorlijk onderhoud aan de gemeenschappelijke voorzieningen.[14]

In het eerder gegeven voorbeeld van het lekkende gemeenschappelijk riool volgt de vordering van de appartementseigenaar op de VvE tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade aan zijn privégedeelte uit dezelfde rechtsverhouding als die op basis waarvan hij gehouden is zijn financiële bijdrage aan de VvE te voldoen. Blijft vergoeding van de schade door de VvE uit, dan bestaat er voldoende samenhang tussen de vordering tot schadevergoeding van de appartementseigenaar en de vordering van de VvE tot betaling van de periodieke bijdrage om de appartementseigenaar deze bijdrage op te schorten. Zo wordt ook bevestigd in een uitspraak van de rechtbank Rotterdam uit 2007.[15] De rechtbank overwoog hierin dat een schuld van een appartementseigenaar tot betaling van periodieke bijdrage aan de VvE voldoende samenhang vertoont met een vordering van de appartementseigenaar op de VvE tot vergoeding van schade als gevolg van vochtindringing door de gemeenschappelijke gevel na hevige regenval. Beide vorderingen vloeien namelijk voort uit het appartementsrecht van de opschortende partij en het daaraan van rechtswege verbonden lidmaatschap van de VvE.

Mijns inziens is de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, sector kanton van 1 oktober 2012 met daarin de algemene overweging dat het karakter van het wettelijk verplichte lidmaatschap van de VvE met zich mee brengt dat tegenover de verbintenis van een VvE-lid om de bijdragen te voldoen, niet zonder meer een concrete verbintenis staat en dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat een beroep op opschorting zou moeten worden verworpen niet juist gemotiveerd.[16]

Gelet op het bovenstaande is van voldoende samenhang tussen de verbintenis waarvan de appartementseigenaar de nakoming vordert en de vordering die de VvE op de appartementseigenaar heeft al snel sprake, nu beiden uit het appartementsrecht voortvloeien. Een fictief voorbeeld van een situatie waarin geen voldoende samenhang zal bestaan, is die waarin een appartementseigenaar die tevens als professionele ZZP-er in opdracht van de VvE schilderwerkzaamheden aan het gemeenschappelijk gebouw heeft uitgevoerd, maar zijn factuur hiervoor niet betaald krijgt. De appartementseigenaar mag zijn VvE bijdrage in dat geval mijns inziens niet opschorten totdat de VvE de factuur voor zijn schilderwerkzaamheden voldoet. Tussen de vordering van de appartementseigenaar op de VvE tot betaling van de factuur voor zijn schilderwerkzaamheden en de vordering van de VvE op de appartementseigenaar tot betaling van zijn periodieke bijdrage aan de gemeenschappelijke kosten, bestaat niet voldoende samenhang.

Indien aan alle hierboven behandelde primaire vereisten voor opschorting is voldaan, dan nog bestaat de mogelijkheid dat een beroep op het opschortingsrecht niet gerechtvaardigd is. De redelijkheid en billijkheid kunnen immers een beletsel voor het opschortingsrecht vormen. Uit de artikelen 6:2 en 6:248 BW volgt immers dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid. Dit kan met zich meebrengen dat de tussen hen krachtens wet geldende regel – waaronder het opschortingsrecht – niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Zo komt een appartementseigenaar geen opschortingsrecht toe als een beroep hierop niet proportioneel is of uitoefening hiervan is aan te merken als misbruik van bevoegdheid. Ook rechtsverwerking valt onder de toets van de redelijkheid en billijkheid. Dat wil zeggen dat indien door gedragingen of uitlating van de appartementseigenaar bij de VvE het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat er geen klachten (meer) waren over het presteren van de VvE, de appartementseigenaar geen beroep op een opschortingsrecht toekomt.

3. Opschortingsverbod in reglement

Het opschortingsrecht in artikel 6:52 BW is van regelend recht. Dat houdt in dat partijen kunnen overeenkomen dat de opschortingsbevoegdheid van een der partijen wordt beperkt of uitgesloten. Het is voor de gezamenlijke eigenaars derhalve mogelijk in het splitsingsreglement ten aanzien van de betaling van de financiële bijdrage van de appartementseigenaars een opschortingsverbod op te nemen. In dat geval hebben de appartementseigenaars in de betreffende VvE geen opschortingsbevoegdheid. Een in de splitsingsakte opgenomen opschortingsverbod kan niet worden vernietigd met een beroep op artikel 6:263 sub c BW, nu de splitsingsakte niet kwalificeert als algemene voorwaarde.

De door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie opgestelde modelreglementen 1973, 1983 en 1992 bevatten geen opschortingsverbod, zodat er in het verleden van de mogelijkheid tot het opschortingsrecht verbieden in de splitsingsakte weinig gebruik werd gemaakt. Hierin is verandering gekomen door het opnemen van artikel 11 lid 3 in Modelreglement 2006 (MR2006) en artikel 15 lid 3 in Modelreglement 2017 (MR2017). Dit artikel bepaalt dat een appartementseigenaar de betaling van de verschuldigde voorschotbijdrage niet mag verrekenen of opschorten in verband met een (vermeende) vordering op de vereniging of de gezamenlijke eigenaars.[17] Bij toepasselijkheid van MR2006 of MR2017 is het door het daarin opgenomen opschortingsverbod voor een appartementseigenaar derhalve niet toegestaan om zijn verplichtingen op te schorten. Ook niet als aan alle voorwaarden van artikel 6:52 BW wordt voldaan.

4. Conclusie

Artikel 6:52 BW biedt ook de appartementseigenaar onder bepaalde omstandigheden het recht zijn verplichtingen tegenover de VvE op te schorten. In de praktijk zal bij de beoordeling of een appartementseigenaar een opschortingsrecht toekomt allereerst vastgesteld moeten worden of het splitsingsreglement een opschortingsverbod bevat. Indien dit het geval is, dan heeft de appartementseigenaar geen opschortingsrecht. Ook niet als aan de vereisten in artikel 6:52 BW wordt voldaan.

Bevat het splitsingsreglement geen opschortingsverbod, dan heeft de appartementseigenaar een opschortingsrecht indien: (1) de appartementseigenaar een opeisbare vordering op de VvE heeft, (2) de VvE een verplichting tegenover de appartementseigenaar niet nakomt en (3) er voldoende samenhang bestaat tussen de vordering van de appartementseigenaar en de vordering van de VvE.

Uit de jurisprudentie volgt dat van een opeisbare vordering in het algemeen geen sprake is als de appartementseigenaar geen gebruik heeft gemaakt van de appartementsrechtelijke procedures – zoals vernietiging ex artikel 5:130 BW of een vervangende machtiging ex artikel 5:121 BW – om zijn rechten op te eisen. Wel zal er vrijwel altijd voldoende samenhang bestaan tussen de vordering van de appartementseigenaar op de VvE en de vordering van de VvE op de appartementseigenaar als beiden voortvloeien uit het appartementsrecht.


Voetnoten
[1] Zie C.A. Streefkerk, Opschortingsrechten (Monografieën BW, nr. B32b), Deventer: Kluwer 2013./7.1.
[2] Zo is ook bevestigd door de HR in onder andere HR 20 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4169) en HR 16 januari 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AG5513). Mits de uitoefening van het opschortingsrecht gelet op de betrokken belangen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
[3] Aldus C.A. Streefkerk, Opschortingsrechten (Monografieën BW, nr. B32b), Deventer: Kluwer 2013. 2013/7.3.
[4] De wet maakt hierop overigens wel twee uitzonderingen op in art. 6:80 BW en art. 6:263 BW (onzekerheidsexceptie).
[5] Zo volgt ook uit o.a. Rb. Noord-Holland, sector kanton 23 juli 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:6132; Rb. Utrecht 22 juli 2009, ECLI:NL:RBUTR:5750 en Rb. Gelderland 8 oktober 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:8215.
[6] Zie Hof ’s Hertogenbosch 5 oktober 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:668;  Rb. Utrecht, 3 oktober 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BG6975; Rb. Alkmaar 13 augustus 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:2421; Rb. Gelderland, 8 oktober 2014; ECLI:NL:RBGEL:2014:8215; Rb. Midden-Nederland, 31 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7568; Rb. Noord-Holland 7 september 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:7463 en Rb. ’s-Hertogenbosch, 9 juni 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:12893 (t.a.v. een beroep op verrekening).
[7] Zie Hof Amsterdam 7 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1343.
[8] Zie HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610 en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907.
[9] Hof Amsterdam 15 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU7795.
[10] Asser/Sieburgh 6-I 2016/272.
[11] HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343 (Hendrikx/Peters).
[12] Meer hierover in M.M. Stolp, De kenbaarheid van de opschorting, MvV 2011/6, p. 153-160
[13] Boek 5 titel 9 Burgerlijk Wetboek.
[14] Aldus Rb. Rotterdam, sector kanton van 10 november 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AU6062.
[15] Rb. Rotterdam 8 augustus 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB6039.
[16] Rb. Den Haag, sector kanton 1 oktober 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:31154.
[17] Artikel 11 lid 3 MR2006.