IBR

IBR

Het Instituut voor Bouwrecht te Den Haag is kennispartner van VvERecht.nl en heeft als doel het op onafhankelijke wijze bevorderen van de wetenschappelijke en praktische beoefening van het bouwrecht, alsmede van de studie van juridische en maatschappelijke vraagstukken en verschijnselen in het algemeen, voor zover die betrekking hebben op of van betekenis kunnen zijn voor de kennis en verdieping van het bouwrecht. Dit doel wordt o.a. nagestreefd door het verrichten van onderzoek en het uitgeven van publicaties.

In dit geschil is de vraag aan de orde of de tussen de VvE, ontwikkelaar en aanneemster gesloten vaststellingsovereenkomst over herstel van gebreken in de weg staat aan de mogelijkheid van ontwikkelaar om aanneemster op te roepen in vrijwaring. De VvE heeft met ontwikkelaar en D. op 18 juli 2013

Begin 2016 hebben de individuele eigenaren met onderneemster een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een appartement(encomplex). De VvE en verkrijgers stellen dat onderneemster een andere lift (een plateau-lift ipv een brancard-lift) heeft aangebracht dan is overeenkomen. De liftinstallatie blijkt niet geschikt voor een buitenopstelling, het is geen brancard-lift en

Voorafgaand aan het indienen van de pro forma memorie van eis, heeft de algemene ledenvergadering van de VvE’s het bestuur van de VvE’s geen machtiging verleend voor het instellen van een rechtsvordering, zoals artikel 41 lid 4 van de splitsingsaktes voorschrijft. Onderneemster beroept zich onder meer op RvA 17 september

Onderneemster heeft meerdere formele weren opgeroepen die er toe zouden moeten leiden dat de VvE niet in haar vorderingen kan worden ontvangen. Naar het oordeel van arbiter slaagt haar beroep op verjaring. Artikel 7:761 BW bepaalt dat elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van

De bevoegdheid van arbiter tot beslechting van het onderhavige geschil wordt door onderneemster betwist, voor zover de VvE haar vorderingen heeft gebaseerd op de garantie- en waarborgregeling (hierna: de garantieregeling), omdat de voor het mechanische ventilatiesysteem toepasselijke garantietermijn van twee jaren is verstreken. Dit leidt er, volgens onderneemster, toe dat

In het bovenste appartement van een appartementencomplex is lekkage ontstaan drie weken nadat zonnecollectoren op het dak zijn geplaatst. De VvE beroept zich op de algemene garantietermijn van 6 jaar, die aanvangt 3 maanden na de oplevering. Feiten en omstandigheden De individuele leden van de VvE hebben met B. (afzonderlijke)

Gebruik bedrijfsruimten van de VvE voor detailhandel is niet in strijd met de planregels. De bepaling bevat uitsluitend een voorschrift voor bouwen op de als ‘Gemengd’ aangewezen gronden en is van betekenis voor toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen aan het bestemmingsplan. Feiten en omstandigheden De VvE bestaat

De klacht heeft betrekking op vier woningen met in totaal twaalf kozijnen en 24 deuren die niet voldoen aan de NEN-norm 6068 zoals die ten tijde van het afgeven van de bouwvergunning gold. De norm is na het afgeven van de vergunning gewijzigd. Tussen partijen is in geding dat sprake

In dit geschil worden de VvE’s worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, omdat binnen de verjaringstermijn van twee jaar geen stuitingshandelingen zijn verricht. Feiten en omstandigheden De afzonderlijke leden van de VvE’s hebben ieder met onderneemster een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten voor de koop en bouw van een appartement in het door

Aanneemster wordt aansprakelijk gesteld voor herstel van de hekwerken. De hekwerken zijn aangetast in de periode dat opdrachtgeefsters niet over bijzondere onderhoudsvoorschriften beschikten. Eerste aanleg Tussen partijen is een geschil ontstaan naar aanleiding van de tussen de leden van opdrachtgeefsters aan de ene kant en steeds aanneemster aan de andere

Gestelde gebreken in de gemeenschappelijke gedeelten (waaronder lekkages balkons en tocht- en lekkageklachten ramen zijgevel) brengen partijen bij arbiter. Onderneemster stelt onder andere dat er geen rechtsgeldige vertegenwoordiging van de VvE is, dat de VvE niet tijdig heeft geklaagd en dat de vorderingen van de VvE zijn verjaard. Rechtsgeldige vertegenwoordiging

Tussen de eigenaars van de appartementen en E. B.V. zijn koop-/aannemingsovereenkomsten gesloten voor de bouw van een appartementencomplex. Het complex is op 7 april 2005 opgeleverd. De VvE A. I is de overkoepelende VvE, VvE A. II is bevoegd ten aanzien van de gemeenschappelijke delen van het complex in de

Tussen partijen is een geschil ontstaan naar aanleiding van een door aanneemster afgegeven garantie op de beglazing in het gebouw. De VvE vorderde veroordeling van aanneemster, uitvoerbaar bij voorraad, tot vervanging dan wel herstel van de aangetaste beglazing, dan wel tot betaling van een vervangende schadevergoeding. De vorderingen van de

In een eerdere procedure is door een VvE gevolgschade gevorderd, deze is deels toegewezen. Na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst is het appel ingetrokken. Opdrachtgever was geen lid meer van de Vve toen de vaststellingsovereenkomst werd gesloten en acht zich hieraan niet gebonden. Hij vordert nu alsnog gevolgschade. Is opdrachtgever

De VvE vordert in de hoofdzaak dat aanneemster wordt veroordeeld tot vergoeding van de sloopkosten van een fabrieksschoorsteen die heeft gestaan op het gemeenschappelijke gedeelte van het appartementencomplex van de VvE. In dit bevoegdheidsincident wordt de bevoegdheid van arbiter door aanneemster betwist. Zij stelt daartoe primair dat de kopers geen

Onderneemster stelt dat een procesvolmacht van het bestuur van opdrachtgeefster ontbreekt, waardoor de rechtsvordering in eerste aanleg volgens onderneemster ongeldig is ingesteld. Datzelfde geldt – aldus onderneemster – voor het hoger beroep. Opdrachtgeefster heeft als verweer tegen deze incidentele grieven aangevoerd, dat het bestuur van opdrachtgeefster geen procesvolmacht nodig heeft.