Ook herstelvordering uit hoofde van de garantie kan verjaren

De bevoegdheid van arbiter tot beslechting van het onderhavige geschil wordt door onderneemster betwist, voor zover de VvE haar vorderingen heeft gebaseerd op de garantie- en waarborgregeling (hierna: de garantieregeling), omdat de voor het mechanische ventilatiesysteem toepasselijke garantietermijn van twee jaren is verstreken. Dit leidt er, volgens onderneemster, toe dat de garantieregeling niet meer van toepassing is op de klacht en arbiter niet bevoegd is om over deze klacht te oordelen.

Ontvankelijkheid VvE

Onderneemster heeft meerdere formele weren opgeroepen die er toe zouden moeten leiden dat de VvE niet in haar vorderingen kan worden ontvangen. Naar het oordeel van arbiter slaagt haar beroep op verjaring.

Arbiter overweegt daarover het volgende.

Artikel 7:761 BW bepaalt dat elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd.

Onderneemster stelt dat partijen in september 2011 contact met elkaar hadden over het ventilatiesysteem waarover de VvE zich in deze procedure beklaagt, en dat het daarna tot januari 2014 stil is gebleven, althans dat er in de tussenliggende tijd geen stuitingshandelingen door de VvE zijn verricht, waardoor de verjaringstermijn verlengd zou zijn.

De VvE heeft gesteld dat in de tussenliggende periode wel door verschillende leden is geklaagd over het ventilatiesysteem, en heeft daartoe verwezen naar haar productie 5 met bijlagen. Productie 5 is een chronologisch overzicht van de hand van de VvE waaraan zij, zo heeft zij in haar verzoekschrift toegelicht, bijlagen 1 tot en met 5 en bijlage 14 heeft toegevoegd.

Van veelvuldige meldingen door (leden van) de VvE zoals door haar gesteld is arbiter niet gebleken. De VvE heeft geen stukken overgelegd die dit aantonen en ook overigens heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft zij, hoewel onderneemster bij antwoord het standpunt had ingenomen dat in de periode tussen september 2011 en januari 2014 geen stuitingshandelingen zijn verricht, en de door de VvE bij eis overgelegde stukken, volgens onderneemster, niet als zodanig kunnen worden aangemerkt, geen aanvullende stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de (leden van de) VvE zich (volgens haarzelf met grote regelmaat) tot onderneemster wendde(n) met het verzoek haar verplichtingen uit de koop-/aannemingsovereenkomsten na te komen. Ook heeft zij niet de niet bij eis aan haar productie 5 toegevoegde bijlagen, naar aanleiding van het gestelde bij antwoord, alsnog overgelegd. Arbiter kan dus niet beoordelen of en zo ja sprake is geweest van als stuitingshandeling aan te merken meldingen.

De VvE heeft nog aangevoerd dat zij binnen de toepasselijke garantietermijn van twee jaren klaagde over problemen met het ventilatiesysteem in verband waarmee door of vanwege onderneemster een modificatie aan het systeem plaatsvond. Er is dus onder garantie hersteld, aldus de VvE. Nu dit herstel niet deugdelijk is gebleken, dient onderneemster alsnog tot deugdelijk herstel over te gaan, zo vindt zij. Wat daarvan ook mag zijn, de VvE ziet daarbij over het hoofd dat ook een herstelvordering uit hoofde van de garantie kan verjaren.

Daarenboven is er na de door onderneemster verrichte modificatie een periode verstreken van twee jaren, zonder dat de VvE nieuwe problemen heeft gemeld bij onderneemster. Het gaat hier om een periode van de lengte van de oorspronkelijke garantietermijn. De garantieregeling voorziet weliswaar niet in een verlenging van de garantietermijn, maar zo daarvan al sprake zou zijn geweest, dan zou die verlengde garantietermijn op het moment waarop de VvE in januari 2014 haar klachten meldde bij onderneemster, ook zonder klachtmeldingen zijn verstreken. De VvE kan zich dan niet langer beroepen op de garantie.

De VvE heeft verder nog betoogd dat het apert onredelijk is dat onderneemster zich beroept op verjaring, omdat zij dat beroep niet eerder deed en zij zich na de melding in januari 2014 bereid toonde om iets aan de door de VvE gemelde klachten te laten doen. Dat onderneemster zich in het verleden niet heeft beroepen op verjaring betekent niet dat haar dat beroep in deze procedure niet langer vrij staat. Zij heeft in ieder geval niet aan de VvE kenbaar gemaakt dat zij zich niet op verjaring zou beroepen. Ook dat onderneemster zich bereid verklaarde om de klachten van de VvE in behandeling te nemen betekent niet dat zij zich niet langer kan beroepen op verjaring.

Alles overziend komt arbiter tot de conclusie dat de vordering van de VvE is verjaard en zij in haar vordering niet kan worden ontvangen.

Scheidsgerecht: ir. M. Schellekens
Gemachtigde eiseres in de hoofdzaak, verweerster in de bevoegdheidsincidenten, de VvE: mr. J.M.S. Salomons
Gemachtigde verweersters in de hoofdzaak, eiseressen in de bevoegdheidsincidenten, D: mr. M.S. Houweling
Bron: RvA 21 december 2017, No. 80920