Gebruik bedrijfsruimten VvE

Gebruik bedrijfsruimten van de VvE voor detailhandel is niet in strijd met de planregels. De bepaling bevat uitsluitend een voorschrift voor bouwen op de als ‘Gemengd’ aangewezen gronden en is van betekenis voor toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen aan het bestemmingsplan.

Feiten en omstandigheden

De VvE bestaat uit de eigenaren van bedrijfsruimten aan de achterzijde van het in 2005 gerealiseerde complex Cruquiusplaza. Zij willen in deze bedrijfsruimten (hierna: de bedrijfsruimten van de VvE) detailhandel uitoefenen. Volgens de VvE is dat in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan ‘Cruquius 2009 1e herziening’ en is daarvoor derhalve geen afwijkingsomgevingsvergunning vereist. Het college van B en W van Haarlemmermeer (hierna: het college) stelt zich op het standpunt dat dat vestiging van detailhandel in de bedrijfsruimten van de VvE niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, zodat daarvoor wel een afwijkingsomgevingsvergunning is vereist. De VvE heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend, zodat zij dat standpunt van het college bij de rechter kan aanvechten. Het college heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen, omdat niet is aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

De VvE betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat vestiging van detailhandel in haar bedrijfsruimten in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In artikel 10, lid 10.2.1, aanhef en onder f, van bestemmingsplan zijn beperkingen gesteld aan de oppervlakte van detailhandel. Deze bepaling geldt volgens de VvE echter alleen voor bouwactiviteiten, omdat deze bepaling in de paragraaf met bouwregels staat vermeld.

Het college stelt zich op het standpunt dat de vestiging van detailhandel in de bedrijfsruimten van de VvE in strijd is met artikel 11, lid 11.2, aanhef en onder f, van bestemmingsplan, omdat de toegestane oppervlakte aan detailhandel reeds is vergund. Deze bepaling heeft volgens het college ook betrekking op wijziging van het gebruik, omdat anders de beperking aan de oppervlakte van detailhandel in het bestemmingsplan niet handhaafbaar is.

De Afdeling overweegt dat het gebruik van de bedrijfsruimten niet in strijd is met de aan het perceel gegeven bestemming ‘Gemengd’ en de daarbij behorende doeleindenomschrijving. Uit artikel 10, lid 10.2.1, aanhef en onder f, van de planregels kan niet worden afgeleid dat het in strijd is met het bestemmingsplan om de bedrijfsruimten van de VvE voor detailhandel te gebruiken. Uit de aanhef van deze bepaling volgt dat deze voor het bouwen van gebouwen geldt. Bovendien is deze bepaling geplaatst onder het opschrift ‘Bouwregels’. Deze bepaling bevat dan ook uitsluitend een voorschrift voor bouwen op de als “Gemengd” aangewezen gronden en is van betekenis voor toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen aan het bestemmingsplan (vergelijk overweging 2.1.2 van de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4532 en overweging 3.2 van de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3617). De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het gebruik van de bedrijfsruimten van de VvE voor detailhandel in strijd is met artikel 10, lid 10.2.1, aanhef en onder f, van de planregels. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is voor het enkele gebruik van de bedrijfsruimten van de VvE voor detailhandel dus geen afwijkingsomgevingsvergunning vereist.

Het betoog slaagt.

Het hoger beroep is gegrond.

Voor de volledige tekst van deze uitspraak klik hier.

ABRvS 10 mei 2017, zaaknr.: 201602135/1/A1, ECLI:NL:RVS:2017:1226