Bestuurder laat VvE nepfacturen betalen: aansprakelijk

Gerechtshof Den Haag, 13 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3814- Een vrijwilliger treedt op als bestuurder van een VvE en tevens als klusjesman in en om het gebouw. De bestuurder biedt een aantal facturen ter betaling door de VvE aan wegens vervanging van verlichtingsarmaturen. De VvE betaalt op het opgegeven Duiste rekeningnummer, waarvan later komt vast te staan dat dit niet correspondeert met het rekeningnummer van de vermeende leverancier. Deze leverancier kan de bestelling en levering niet bevestigen. De op de facturen vermelde artikelnummers komen niet voor in diens assortiment. Tenslotte komt aan de hand van een extern onderzoek niet vast te staan, dat de betreffende armaturen daadwerkelijk geleverd en gemonteerd zijn. De VvE stelt opgelicht te zijn, de bestuurder wordt ontslagen en aansprakelijk gesteld. 

Op grond van artikel 38 van het toepasselijk MR 1992 kan het bestuur geen onderhoudswerkzaamheden opdragen die een bedrag dat door de vergadering zal worden vastgesteld te boven gaan, tenzij het daartoe vooraf door de vergadering is gemachtigd. In het huishoudelijk reglement is in dit geval dit bedrag bepaald op € 2.500,-. In totaal laat de bestuurder een veelvoud daarvan betalen op een onjuist rekeningnummer. De VvE vordert vergoeding van de schade, onder meer vanwege de ten onrechte betaalde facturen. In hoger beroep beroept de bestuurder zich er onder meer op, dat de overige bestuursleden op de hoogte waren van de onjuiste betalingen, dat hij zijn bestuurswerkzaamheden onbezoldigd verrichtte en dat hij naast bestuurder vele werkzaamheden als klusjesman in en om het gebouw verrichtte. Het hof ziet daarin geen aanmelding de aansprakelijkheid van de bestuurder te matigen:

Van het hiervoor genoemde handelen buiten zijn bevoegdheid kan [appellant] een (zeer) ernstig verwijt worden gemaakt. Hij diende als bestuurder immers op de hoogte te zijn van, en zich te houden aan de binnen de VvE geldende bevoegdheidsregels ter zake van het doen van uitgaven ten laste van de VvE en buiten twijfel staat dat een bestuurder geen kosten ten laste van de rechtspersoon mag brengen die niet daadwerkelijk ten behoeve van de rechtspersoon zijn gemaakt. [appellant], die stelt dat niet alleen hij maar ook de kascommissie en het administratiekantoor akkoord waren met de betaling van de facturen door de VvE, kan zich ter zake niet achter anderen verschuilen. Hij dient als bestuurder zelf op de hoogte te zijn van zijn bevoegdheden en deze in acht te nemen. Aan de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] als bestuurder doet ook niet af dat de bestuurswerkzaamheden van [appellant] als vrijwilligerswerk moeten worden aangemerkt, zoals [appellant] betoogt. Ook als vrijwilliger was [appellant] gebonden aan de regels omtrent de bevoegdheid van het bestuur van de VvE. De door [appellant] gestelde betrokkenheid van medebestuurders bij of wetenschap van deze bestuurders van het declareren van de facturen, doet – wat daar verder ook van zij – niet af aan de ernst van de verwijtbaarheid van het handelen van [appellant], temeer nu het juist [appellant] zelf is geweest die de facturen ter betaling aan de kascommissie van de VvE heeft aangeboden. Tot slot is ook niet relevant dat [appellant] ook “klusjesman” voor de VvE was; het enkele feit dat [appellant] klusjes voor de VvE verrichtte, verschafte hem evenmin de bevoegdheid om – zonder machtiging van de vergadering van de VvE – de facturen in rekening te brengen aan de VvE. De conclusie is dan ook dat [appellant] onrechtmatig jegens de VvE heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door de dientengevolge door VvE geleden schade van € 14.131,50.

Ernstig verwijt, ook voor vrijwilliger 

Het hof beoordeelt de vorderingen van de VvE aan de hand van het bepaalde in artikel 5:124 lid 1 jo 2:9 BW: elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Om tot aansprakelijkheid van de bestuurder te komen is vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Om te kunnen bepalen of er sprake is van een ernstig verwijt, moet gekeken worden naar alle omstandigheden van het geval (1). Wanneer sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen, dat het handelen van de bestuurder geen ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel dient te betrekken (2). Het hof doet dat in de voormelde overweging en stelt vervolgens vast dat sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder. Uit het arrest blijkt niet, dat het hof vanwege het vrijwillige karakter van de bestuursfunctie een andere (lichtere) maatstaf hanteert. Het hof is van oordeel dat de bestuurder ook als vrijwilliger aan de regels omtrent bevoegdheid van het bestuur gebonden was. Aansprakelijkheid wordt niet alleen gebaseerd op handelen in strijd met artikel 38, maar met name op het persoonlijk en ernstig verwijt dat de bestuurder gemaakt kan worden op basis van de in rechte vastgestelde feiten en omstandigheden.

Toezicht in de VvE 

Het feitencomplex dat leidt tot dit arrest geeft blijk van een vaker voorkomend fenomeen: een vrijwillige bestuurder die zijn boekje te buiten gaat, kennelijk in de veronderstelling dat vanwege de langjarige en vele vrijwilligerswerkzaamheden zulks gerechtvaardigd zou kunnen worden. Adequate (kas-)controle, een actieve beheerder en de aanwezigheid van medebestuurders die mede opdracht geven voor de betreffende uitgaven kunnen dit soort uitwassen voorkomen. Overigens kent de VvE als rechtspersoon niet verplicht een toezichthoudend orgaan, nu de raad van commissarissen in boek 2 BW niet bij de gewone vereniging is geregeld maar slechts bij de coöperatieve vereniging. Uiteraard is het wel mogelijk dat in de statuten van de VvE een raad van commissarissen geregeld wordt. Zo is in artikel 57 MR 2006 is bepaald dat vergadering bevoegd is een raad van commissarissen in te stellen, in welk geval de daar beschreven regeling geldt.

Volledige uitspraak: Gerechtshof Den Haag, 13 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3814

(1)  Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243
(2)  Hoge Raad 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2002:AE7011