Onredelijke hinder niet objectiveerbaar bewezen, boetebesluit vernietigd

Rechtbank Noord-Holland, 7 november, ECLI:NL:RBNHO:2016:9249 – De mogelijkheid tot handhaving van het reglement door oplegging van een boete is in de modelreglementen geregeld. In artikel 41 MR 2006 is bijvoorbeeld bepaald, dat het bestuur de overtreder een schriftelijke waarschuwing zal doen toekomen, waarna hem een eenmalige of dagboete van ten hoogste een bedrag dat door de vergadering voor zodanige overtredingen of niet-nakoming is bepaald kan worden opgelegd. In de meeste huishoudelijke reglementen is op overtreding van de bepalingen daarvan de mogelijkheid van het opleggen van een boete opengesteld, al dan niet voorzien van per overtreding vastgestelde boetebedragen. Boetes kunnen ook worden opgelegd bij het veroorzaken van onredelijke (geluids-)hinder, zie artikel 2 lid 2 jo 41 MR 2006. Waar de reglementen echter niets over regelen is de vraag hoe objectief vast te stellen dat sprake is van onredelijke hinder.

In deze uitspraak stelt de rechter vast dat:

‘de beoordeling of sprake is van onredelijke hinder naar het oordeel van de kantonrechter objectiveerbaar te dient zijn. Dat betekent in beginsel dat degene die zich op onredelijke hinder beroept, bij voorkeur beschikt over een objectieve bron. In dit soort zaken wordt over het algemeen dan gedoeld op dagrapporten of mutatiestaten van de politie.

Dat is een strenge eis, die afkomstig lijkt uit overlast jurisprudentie in ontruimingszaken van huurwoningen (1). De vraag is, of die norm hier niet té streng is. Niet het voortduren van het woonrecht is namelijk in het geding, maar ‘slechts’ de vraag of de VvE in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van een boete. Dat lijkt mij een situatie die minder vergaande eisen stelt dan de kantonrechter hier hanteert. Uiteraard is ter voorkoming van willekeur voldoende objectiveerbare feitenvaststelling door het bestuur noodzakelijk. Die eisen acht ik inherent aan de redelijkheidstoets van artikel 5:130. Maar die voldoende objectiveerbaarheid kan mijns inziens ook worden verkregen aan de hand van verklaringen van bewoners en gebruikers van de overige appartementen. Vereist zal zijn, dat de verklaringen consistent zijn, zowel naar de frequentie, de aard en de duur van de overlast, de bron daarvan en de momenten waarop deze zich voordeed. Wanneer eerder op basis van vergelijkbare objectiveerbare waarnemingen een waarschuwing gegeven is door het bestuur, moet aangenomen kunnen worden dat het besluit tot het opleggen van een boete in dat geval eveneens de rechterlijke redelijkheidstoets van artikel 5:130 jo 2:15 BW kan doorstaan. Daar komt bij, dat artikel 41 MR 2006 het bestuur weinig tot geen beleidsvrijheid laat bij de vraag of al dan niet handhavend wordt opgetreden. Dat blijkt uit het de bewoordingen ‘zal het bestuur een waarschuwing opleggen’, waar bij het opleggen van de boete zelf in artikel 41 lid 2 MR 2006 gesproken wordt van ‘kan het bestuur een (..) boete opleggen’.

In onruimingszaken uit het huurrecht is een ander recht in het geding dan in bij oplegging van een boete door het bestuur van de VvE. De bewoner van een huurwoning kan zijn huurrecht verliezen indien de door hem veroorzaakte ernstige overlast voldoende objectiveerbaar vast komt te staan. Ingeval van handhaving door de VvE is daarvan geen sprake. De VvE kan het woonrecht niet aantasten en stelt dat recht ingeval van een opgelegde boete ook niet ter discussie. Hooguit kan de VvE in extreme gevallen gebruik maken van haar recht tot ontzegging van het privé gebruik door de overtreder (zie artikel 39 MR 2006), maar die bevoegdheid is slechts tijdelijk van aard en doet aan de eigendom van het appartementsrecht en het daaraan verbonden recht op exclusief gebruik daarvan niet af. Zodra voldoende aannemelijk is dat de overlast niet herleeft na de hernieuwde ingebruikname van het appartement, kan de eigenaar of gebruiker van de VvE verlangen dat de maatregel wordt opgeheven(2). Bij ontbinding van een huurovereenkomst woonruimte wegens overlast is de beslissing definitief en vervalt het recht de woning te bewonen. Dat rechtvaardigt naar mijn mening zwaardere eisen aan de vaststelling van de ernst van de overlast dan voornoemde wijze van vaststelling van onredelijke hinder door het bestuur en overige bewoners.

De boetebepalingen in het reglement, die via artikel 5:120 lid 2 en 3 BW van rechtswege voor latere huurders gelden, voorzien in een eigenstandige afdoening door de VvE en verplichten het bestuur en de bewoners geenszins aangifte of melding daarvan te doen bij de politie. Het modelreglement en het daarop gebaseerde huishoudelijk reglement heeft het karakter van regelgeving van privaatrechtelijke aard, waar de eigenaren en gebruikers vanwege hun kwaliteit als eigenaar of gebruiker van rechtswege aan gebonden zijn. Door die handhaafbaarheid van die regels afhankelijk te stellen van al dan niet strafrechtelijke relevant handelen van de overtreder en het al dan niet verschijnen van de politie, wordt aan de gemeenschap van eigenaars deels de mogelijkheid van zelfregulering en handhaving ontnomen. Dat acht ik niet in overeenstemming met de wettelijke regeling, die in artikel 5:112 lid 4 BW uitdrukkelijk de mogelijkheid opent om in het reglement regels te stellen omtrent het gebruik van privé gedeelten. Als de VvE regels kan stellen, wat in de meeste splitsingsreglementen het geval is, dan moet de VvE die naar mijn mening ook effectief kunnen handhaven zonder daarbij afhankelijk te zijn van dagrapporten of mutatiestaten van de politie, ook ingeval van geluidsoverlast.

Het voorgaande kan worden geïllustreerd aan de hand van een vergelijking met onredelijke hinder van andere aard, bijvoorbeeld het verkeerd storten van afval in het gebouw of verkeerd parkeren op gemeenschappelijke of privé delen van het gebouw. Ook op overtreding daarvan kunnen boetes worden gesteld door de VvE. Het is niet goed denkbaar dat de overtreding van die voorschriften ooit zal blijken uit dagrapporten of mutatiestaten van de politie, nu hier geen taak voor de politie is weggelegd. Toch kan sprake zijn van onredelijke hinder die door die gedragingen wordt veroorzaakt en zal de objectieve vaststelling daarvan door de VvE zelf moeten kunnen worden bepaald. In die gevallen zal het bestuur zelfstandig de overtreding kunnen vaststellen en zal zij eveneens zelfstandig kunnen overgaan tot het geven van een waarschuwing en het opleggen van een boete, mits zij daarbij niet willekeurig handelt, de regels niet achteraf worden vastgesteld en bij het vaststellen van de overtreding en de persoon van de overtreder de nodige zorgvuldigheid in acht wordt genomen.

Overigens kan artikel 42 lid 2 Rv soelaas bieden aan de VvE die in bewijsnood verkeert. Op grond van dat artikel  kan het openbaar ministerie kan op verzoek van de rechter of een partij bescheiden waarover het OM beschikt in de procedure inbrengen. In dat geval neemt het OM in de civiele zaak een conclusie, waarbij eventuele dagrapporten of mutatiestaten van de politie zullen worden overgelegd in de procedure.(3)

Volledige uitspraak: Rechtbank Noord-Holland, 7 november, ECLI:NL:RBNHO:2016:9249

  1. zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 16 december 2014,  ECLI:NL:GHAMS:2014:5400
  2. zie Rechtbank Noord-Holland, 7 april 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:3118, ook met noot op VvERecht.nl
  3. een voorbeeld in een huurzaak waar de rechter dat toeliet is te vinden in RBLIM:2015:7073