Huishoudelijk reglement: aard van de verplichting, boete moeten blijken uit statuten

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:120 – Een Boek 2 Vereniging (recreatiepark) vordert een verklaring voor recht dat dat een eigenaar het huishoudelijk reglement heeft overtreden door zijn camper op het park te plaatsen en dat die eigenaar een boete heeft verbeurd van € 5.000, met veroordeling tot betaling van het bedrag met de wettelijke rente daarover. Daarnaast heeft de Vereniging gevorderd de eigenaar te gelasten de camper van het park te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

De vraag is allereerst of de betreffende eigenaar lid is van de vereniging. Weliswaar blijkt de verplichting daartoe uit de akte van levering, maar voorgeschreven schriftelijke aanmelding als lid en de aanvaarding daarvan door het bestuur hebben nooit plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde op die formele grond, dat geen lidmaatschap tot stand gekomen is, waarop de vorderingen van de vereniging in eerste aanleg strandden. Het hof beoordeelt de relatie in een meer materiële zin en neigt ernaar, dat wel degelijk een lidmaatschap tot stand gekomen is:

Aannemelijk is echter dat de eigenaar lid is geworden op grond van het derdenbeding dat is opgenomen in de akte van levering.
In artikel 16 van de akte van levering is immers de verplichting opgenomen om lid te worden en te blijven van de Vereniging, welk artikel in de slotbepalingen onder I. als een derdenbeding door de verkoper aan de eigenaar is opgelegd. Ingevolge dit derdenbeding heeft de eigenaar de verplichting om lid van de Vereniging te worden op zich genomen, heeft de verkoper namens de Vereniging het kettingbeding aanvaard en heeft de eigenaar zich aangemeld als lid van de Vereniging.

Uit de brief van de notaris, die de akte van levering heeft gepasseerd, van 9 november 2005 (productie 5 bij memorie van grieven), waarin de notaris de Vereniging onder meer heeft verzocht om toestemming te verlenen aan de verkoper om tot de overdracht over te gaan, in samenhang gelezen met de brief van de Vereniging aan de notaris van 20 maart 2006 (productie 6 bij memorie van grieven), waarin de Vereniging zich akkoord heeft verklaard met verkoop aan de eigenaar, zou dan kunnen worden afgeleid dat de Vereniging het derdenbeding heeft aanvaard.

Aanwijzingen voor het lidmaatschap van de eigenaar van de Vereniging zijn voorts de feitelijke gedragingen van de eigenaar. Vast staat immers dat de eigenaar meerdere malen vergaderingen van de Vereniging heeft bezocht en zijn stemrecht heeft uitgeoefend, facturen van de Vereniging heeft betaald en bij brief van 13 juni 2010 het bestuur van de Vereniging heeft geïnformeerd over zijn besluit een andere camper aan te schaffen. Uit deze feitelijke gedragingen valt af te leiden dat de eigenaar de wil heeft gehad om lid te zijn van de Vereniging, terwijl uit de correspondentie van de Vereniging aan de eigenaar valt af te leiden dat de Vereniging deze wilsuiting van de eigenaar heeft aanvaard.

Het hof stelt het lidmaatschap evenwel niet vast, omdat het op een andere grond komt tot afwijzing van het gevorderde. Het hof is namelijk van oordeel dat de bepalingen in het huishoudelijk reglement waarvan de vereniging nakoming verlangt nietig zijn. Het hof komt tot dat oordeel op de volgende gronden:

In artikel 2:27 lid 4 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de statuten van een vereniging moeten inhouden de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. In artikel 2:34a BW is bepaald dat verbintenissen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap kunnen worden verbonden.
Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de vereniging bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Indien dergelijke besluiten een statutaire basis ontberen, zijn zij nietig.

Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de vereniging bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Indien dergelijke besluiten een statutaire basis ontberen, zijn zij nietig.

Vervolgens stelt het hof in deze kwestie vast, dat de aard van de verplichting en de mogelijkheid tot het opleggen van een boete niet uit de statuten van de vereniging blijken, waarmee de grondslag voor toewijzing van het gevorderde ontbreekt.

De kernoverweging van het hof in dit arrest acht ik de overweging, dat de aard van de verplichtingen die worden uitgewerkt in een huishoudelijk reglement uit de statuten kenbaar moet zijn. Hier bleek dat niet het geval. Dat roept de vraag op hoe hiermee in de praktijk moet worden omgegaan. Er zijn twijfelgevallen denkbaar. Stel dat de statuten wel de mogelijkheid van een boete bevatten en voorts, dat bepaald zou  zijn dat bij huishoudelijk reglement nadere voorschriften kunnen worden verbonden aan het ordelijk gebruik van het park. Blijkt de aard van de verplichting in dat geval wel uit de statuten, als een verbod tot het stallen van een camper als het onderhavige op straffe van verbeurte van een boete in het huishoudelijk reglement wordt opgenomen? Waar het het gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes betreft, is dat gelet op dit arrest dus de vraag. Gewone auto’s parkeren mag kennelijk wel, maar een camper parkeren is niet toegestaan. Het hof lijkt hier aan te nemen dat om de betreffende verplichting af te kunnen dwingen, de statuten een meer expliciet verbod moeten inhouden dan thans het geval is.

Inherent aan een huishoudelijk reglement is, dat het statutaire bepalingen uitwerkt. Er zullen dus altijd bepalingen in staan die niet in de statuten opgenomen zijn. Het hof lijkt met ‘de aard van de verplichting’ met het oog op de  rechtszekerheid van eigenaars te willen aangeven, dat de statuten moeten aangeven welke statutair vastgelegde belangen met nadere regels beschermd kunnen worden worden. Denk daarbij aan belangen als ordelijk en veilig verkeer, het voorkomen van foutparkeren, het schoonhouden van het park, het weren van ongewenste bezoekers, het voorkomen van gevaarzetting en geluidsoverlast. Indien de statuten dergelijke, algemene bepalingen bevatten (vergelijk de modelreglementen bij splitsing in appartementsrechten, waar dat ook het geval is), dan is een uitwerking van die algemene normen in het huishoudelijk reglement toegestaan. Hier was dat kennelijk onvoldoende het geval. Het hof laat het eigendomsrecht en de in het rechtsverkeer vereiste rechtszekerheid omtrent de rechten en plichten die aan een eigendomsrecht verbonden zijn hier prevaleren boven het verenigingsrecht, dat uitgaat van de wil van de meerderheid, die ook op de minderheid kan worden opgelegd. Dat verenigingsrecht vindt haar begrenzing in de verplichtingen die de eigenaar met het lidmaatschap blijkens de statuten heeft aanvaard, hetgeen in overeenstemming is met artikel 2:34a BW.

Een andere vraag is, of de vereniging in ook bevoegd is om voorschriften te stellen aan het gebruik van de privé erven in een recreatiepark. Het antwoord op die vraag hangt af van wat vereniging als statutaire doelstelling heeft. Indien die doelstelling bijvoorbeeld naast het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten tevens omvat het bevorderen van de leefbaarheid en kwaliteit van het recreatiepark en de statuten uitdrukkelijk die mogelijkheid bevatten, moet daar van uit worden gegaan. In dat geval kan het huishoudelijk reglement bijvoorbeeld voorschriften over open vuur, tuinonderhoud, lawaai, afval etcetera bevatten ten aanzien van privé erven. Ontbreekt in de statuten een grondslag voor gebruiksvoorschriften ten aanzien van privé gedeelten, dan zullen de bepalingen in het huishoudelijk reglement die dat gebruik betreffen nietig zijn. Vergelijk daarvoor Hoge Raad 10 maart 1995, NJ 1996, 595 (Novamij/VvE Duinroos -Duindistel), ook met noot op VvERecht.nl. Voor een Boek 2 vereniging geldt in beginsel hetzelfde. In dat geval wordt de relatie tussen de eigenaren en gebruikers van de privé erven enkel beheerst door de wettelijke bepalingen van het burenrecht, artikel 5:37 e.v. BW .

Weer aan andere vraag betreft hoever gebruiksvoorschriften bij huishoudelijk reglement mogen gaan. Steeds zal het betreffende voorschrift moeten worden getoetst aan de statutaire grondslag. Bovendien worden besluiten tot handhaving getoetst aan de eisen van redelijkheid en billijkheid op grond van de artikelen 2:15 en 2:8 BW. De mogelijkheid om bij statuten nadere gebruiksvoorschriften mogelijk te maken wordt op haar beurt dus beperkt door de wet.

Als laatste wijs ik erop, dat ‘gebruik’ van een privé gedeelte moet worden onderscheiden van ‘beschikken’ daarover. Niet zelden worden bij huishoudelijk reglement voorschriften gegeven, die niet het gebruik maar de beschikking over de eigendom betreffen. Denk bijvoorbeeld aan een verhuurverbod of een verplichting de recreatiewoning uitsluitend zelf te gebruiken. Dergelijke bepalingen kunnen, zelfs als de statuten gebruiksvoorschriften ten aanzien van privé erven mogelijk maken, als nietig worden beschouwd als de statuten dat niet uitdrukkelijk mogelijk maken. Zie voor een vergelijkbaar geval voor wat betreft beperking van beschikkingsbevoegdheid bij huishoudelijk reglement, Sector kanton Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 6 april 2012, LJN: BW1490 ook met noot op VvERecht.nl. Daar overwoog de kantonrechter dat van bepalingen over de eigendom van een appartementsrecht niet kan worden afgeweken met een beroep op bepalingen die het gebruik daarvan regelen. Wie van de eigendomsverhoudingen wil afwijken, moet de akte van splitsing zelf wijzigen.

Klik hier voor Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden |13 januari 2015 | ECLI:NL:GHARL:2015:120