Vernietiging besluit ontzegging gebruik privé gedeelten afgewezen

Rechtbank Noord-Holland |7 april 2014 | ECLI:NL:RBNHO:2014:3118 – Een appartementseigenaar laat zijn 46 jarige zoon diens appartement bewonen. De zoon heeft psychische problemen en veroorzaakt overlast. Door de VvE zijn aan de gebruiker en de eigenaar van het appartement waarschuwingen gegeven krachtens een besluit van de ALV. Ook is eerder al in kort geding om ontruiming  gevraagd. Binnen een jaar na de waarschuwing doen zich verschillende incidenten voor, op grond waarvan de ALV ten opzichte van de zoon een besluit tot ontzegging van het gebruik van het privé gedeelte heeft genomen. Daartegen wordt een verzoek tot vernietiging ingediend ex artikel 5:130 jo 2:15 jo 2:8 BW.

Kader 

Uit de uitspraak blijkt niet dat een modereglement van toepassing is. De artikelnummers waarnaar de uitspraak verwijst stroken niet met de artikelen uit de modelreglementen welke de ontzegging van het gebruik van het privé gedeelte regelen. Toch is de inhoud van het reglement in kwestie vergelijkbaar:

Op grond van artikel 24, eerste lid, van het Reglement van splitsing van eigendom (hierna: het Reglement) kan aan de eigenaar die zelf het recht van gebruik uitoefent en die
a. de bepalingen van het reglement of het huishoudelijk reglement (…) niet nakomt of overtreedt;
b. zich schuldig maakt aan onbehoorlijk gedrag jegens de andere eigenaars en/of gebruikers,
door de vergadering een waarschuwing worden gegeven dat indien hij ondanks deze waarschuwing binnen een jaar nadat hij deze heeft verricht of voorzet de vergadering overgaat tot de in het volgende lid bedoelde maatregel.

Op grond van artikel 24, tweede lid, van het Reglement kan de vergadering besluiten tot ontzegging van het gebruik van het privé-gedeelte dat aan de eigenaar toekomt indien een of meer der in het vorige lid bedoelde gedragingen binnen genoemde termijn andermaal wordt gepleegd of deze wordt voortgezet.

Op grond van artikel 24, zevende lid, van het Reglement is, indien de eigenaar zijn privé-gedeelte in gebruik heeft gegeven, het in de vorige leden bepaalde op de gebruiker van toepassing, wanneer deze een gedraging verricht als vermeld in lid 1, of indien hij niet voldoet aan de financiële verplichting voortvloeiende uit de door hem gestelde borgtocht.

Op grond van artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder b, BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (…) vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist.

Op grond van artikel 2:8, tweede lid, van het BW is een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Beoordeling

De rechter stelt allereerst vast, dat aan de formele vereisten die het nemen van het ALV-besluit beheersen voldaan is.  Vervolgens stelt de rechter vast dat door verzoekers niet gereageerd is op de waarschuwingen welke door de VVE zijn verzonden in reactie op incidenten welke zich tijdens de periode na de formele waarschuwing van de ALV hebben voorgedaan, waarmee de kantonrechter er van uit gaat dat deze feiten zich hebben voorgedaan. Daarnaast wordt een aantal door de VvE gestelde incidenten op zichzelf niet betwist. Daartegenover stellen verzoekers dat die voorvallen, gelet op de zwaarwegende belangen van verzoeker om te kunnen blijven wonen in het appartement en de vooruitzichten op verbetering van diens persoonlijke situatie, ertoe leiden dat de ALV op grond van de redelijkheid en billijkheid het besluit achterwege had moeten laten. De kantonrechter is het daarmee niet eens en is van oordeel dat ‘gelet op hetgeen in het verleden is gebeurd, niet langer verlangd kan worden om de overlast door verzoeker te accepteren. De kantonrechter is daarbij van mening dat de VvE de belangen van verzoekers bij haar besluitvoering voldoende heeft meegewogen. De VvE heeft in redelijkheid tot het besluit van 29 oktober 2013 kunnen komen.’ Daarop wordt het verzoek tot vernietiging afgewezen.

Afweging: strijd met redelijkheid en billijkheid of: ‘onaanvaardbaar’

Uit de hier behandelde uitspraak leid ik niet af dat verzoekers hebben gesteld laat staan onderbouwd, dat het besluit tot ontzegging onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zoals artikel 2:8 lid 2 BW voorschrijft. De term ‘onaanvaardbaar’ brengt zwaardere eisen met zich mee dan enkel strijd met de redelijkheid en billijkheid. De stelling dat de VvE op grond van de redelijkheid en billijkheid het besluit tot ontzegging had moeten nalaten kan, bij een toetsing aan artikel 2:8 lid 2 BW, dan ook niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Artikel 2:15 lid 1 sub b BW geeft als grond voor vernietiging van een besluit ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist’. Artikel 2:8 BW kent twee evenwel leden:

1. Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Het eerste lid geeft een algemene gedragsregel. Wanneer het ALV-besluit wordt getoetst aan artikel 2:8 lid 1 BW, dan geldt de algemene eis van redelijkheid en billijkheid. Veel verzoekschriften tot vernietiging ex artikel 5:130 BW worden onderbouwd met de stelling dat een besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Daarmee lijkt de verzoeker er impliciet van uit te gaan, dat het verzoek aan artikel 2:8 lid 1 BW getoetst wordt. In veel uitspraken is dat ook het geval en wordt de discussie over ‘onaanvaardbaar’ van artikel 2:8 lid 2 BW niet gevoerd. Het tweede lid vormt het kader voor ‘een krachtens besluit geldende regel’ en vormt de weerslag van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, welke in het vermogensrecht is neergelegd in de artikelen 6:2 en 6:248 BW. Voor die gevallen beoogt de term ‘onaanvaardbaar’ een lichtvaardig beroep uit te sluiten.

Hier heeft de rechter het verzoek kennelijk getoetst aan artikel 2:8 lid 2 BW, maar tegelijkertijd niet in zijn motivering opgenomen dat hij van oordeel is dat het besluit niet als onaanvaardbaar kan worden aangemerkt. In zoverre is die motivering gebrekkig. Daarover zou echter niet geklaagd kunnen worden in hoger beroep naar mijn mening, nu op voorhand strijd met de redelijkheid en billijkheid zelf afwezig werd geacht. Van het meerdere, te weten ‘onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’ is dan a fortiori geen sprake.

Volledige uitspraak:  Rechtbank Noord-Holland |7 april 2014 | ECLI:NL:RBNHO:2014:311