Inschrijvingsplicht VvE in handelsregister bij Kamer van Koophandel

Sinds 1 juli 2008 is het voor iedere VvE wettelijk verplicht ingeschreven te staan in het handelsregister. De grondslag hiervoor ligt in artikel 6 lid 1 sub b Handelsregisterwet 2007 (Hrw). Bij invoering van de Hrw is in artikel 58 een overgangstermijn van anderhalf jaar opgenomen, zodat VvE-en feitelijk tot 1 januari 2010 de tijd hadden om voor inschrijving in het Handelsregister zorg te dragen.

De verplichting tot inschrijving in het handelsregister ligt op grond van artikel 18 Hrw bij ieder der bestuurders van de VvE. Het beheer van het handelsregister ligt bij de Kamer van Koophandel. In tegenstelling tot ondernemingen zoals een besloten of naamloze vennootschap is de VvE op grond van artikel 27 lid 1 Hrw niet verplicht tot vermelding van het handelsregisternummer op haar briefpapier of in haar e-mails.

Splitsingsakte van vóór 1 december 1972

Indien de akte van splitsing voor 1 december 1972 is gepasseerd, dan kan het zijn dat er geen vereniging van eigenaars is opgericht. Pas vanaf 1972 is de oprichting van een VvE bij splitsing verplicht gesteld. Vóór 1 december 1972 gold dat een VvE pas na een oprichtingshandeling ontstond en dat een VvE minstens twee leden diende te hebben. Dit heeft als gevolg dat wanneer er voor 1 december 1972 bij de akte van splitsing geen VvE is opgericht en er daarna eveneens geen VvE is opgericht, er aan het appartementengebouw geen VvE verbonden is. In dat geval is er ook geen verplichting tot inschrijving in het handelsregister. Het is wel mogelijk dat er na het moment van splitsing een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid is opgericht. Op grond van artikel 6 Hrw geldt er voor een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid ook geen inschrijvingsplicht, maar is er in dat geval voor de vereniging wel de vrijwillige mogelijkheid tot inschrijving.

Jaarlijkse bijdrage

Als gevolg van de invoering van de inschrijvingsplicht in de Hrw was een VvE tot 2013 op grond van artikel 49 lid 1 Hrw een jaarlijkse bijdrage aan de Kamer van Koophandel verschuldigd. De hoogte van de bijdrage werd jaarlijks krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

De bijdrage was verschuldigd voor ieder jaar tot 2013 dat een VvE in het handelsregister was ingeschreven of ingeschreven behoorde te zijn. De wetgever heeft er toen derhalve niet voor gekozen om de verschuldigdheid van de jaarlijkse bijdrage van de inschrijving afhankelijk te stellen. Ook over de jaren dat een VvE niet stond ingeschreven, maar wel ingeschreven had moeten staan is een VvE de jaarlijkse bijdrage verschuldigd. Hiermee wordt eveneens geen rekening gehouden met de overgangstermijn uit artikel 58 Hrw. Dit heeft als gevolg dat een VvE die zich in 2010 heeft ingeschreven in het handelsregister, naast de bijdrage voor 2010, ook de bijdrage voor 2009 verschuldigd is. Dat VvE-en tot 1 januari 2010 de mogelijkheid is geboden om aan de inschrijfverplichting te voldoen, doet hier niets aan af. Dit is bevestigd door de Centrale Raad van Beroep in haar uitspraak van 13 juni 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:29).

Niet naleving is strafbaar

Ondanks de wettelijke verplichting tot inschrijving is gebleken dat tot op heden een groot aantal VvE-en niet is ingeschreven in het handelsregister. Naar schatting zijn 35 tot 45 procent van alle VvE-en in Nederland nog niet ingeschreven. Op grond van de Wet op de Economische Delicten plegen deze VvE-en een strafbaar feit. Het Openbaar Ministerie is bevoegd om de VvE hiervoor te vervolgen. Op grond van de Wet op de Economische Delicten worden overtreding van bepalingen in de Hrw beboet conform de vierde boetecategorie; een bedrag tussen de € 0,- en € 19.500, -. Binnen de VvE zijn alle appartementseigenaren hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van deze boete. De Minister voor Wonen en Rijksdienst gaf echter onlangs nog tegenover de Tweede Kamer Commissie voor Wonen en Rijksdienst aan dat er voor dit delict tot op heden aan nog niet één VvE een boete is opgelegd. Hiermee is echter nog niet gezegd dat het OM niet tot vervolging mag overgaan.

Inschrijvingsplicht VvE afschaffen?

In de politiek en door diverse belangenorganisaties is herhaaldelijk voor afschaffing van de inschrijfplicht van VvE-en gepleit. Veelal wordt vermindering van regeldruk voor VvE-en als argument genoemd. Met deze stelling ben ik het niet eens. De inschrijving van een VvE in het handelsregister heeft namelijk een belangrijke functie. De VvE is immers als opdrachtgever van bijvoorbeeld aannemers, schilders, schoonmakers, beheerders en verzekeraars een deelnemer aan het rechtsverkeer. Voor de andere deelnemers aan het rechtsververkeer is het wenselijk om te weten met wie er zaken wordt gedaan, op welk adres de VvE kan worden aangeschreven en wie er namens de VvE vertegenwoordigingsbevoegd is. Ook bij levering van een appartementsrecht is het van belang om op een snelle en eenvoudige wijze te kunnen weten wie benaderd kan worden om namens de VvE de verklaringen ex artikel 5:122 lid 5 en 6 BW af te geven. Door behoud van de verplichte inschrijving van VvE-en in het handelsregister blijft deze informatie voor een ieder beschikbaar en actueel. Hiermee kunnen vele onnodige onduidelijkheden en conflicten worden voorkomen. Dit is zowel in het belang van de VvE, de eigenaars, als de partijen met wie de VvE in het rechtsverkeer in aanraking komt. Nu de verplichte jaarlijkse bijdrage per 2013 is beëindigd, blijft enkel de investering van geringe invultijd van het inschrijfformulier van de Kamer van Koophandel over. Door de toename van zekerheid voor partijen die in het rechtsverkeer met de VvE-en in aanraking komen, is deze ‘investering’ het mijns inziens ruimschoots waard.