Procesrecht: eiser doet in procedure tegen VvE afstand van instantie na verkoop woning

Rechtbank Amsterdam, sector kanton | 9 juli 2013 | ECLI:NL:RBAMS:2013:4439

Gedurende een procedure verkoopt en levert de eisende partij zijn woning aan een derde. Vervolgens verzoekt de oorspronkelijk eiser de nieuwe eigenaar in zijn plaats te stellen en als die dat niet wil de instantie vervallen te verklaren. De nieuwe eigenaar heeft daar niet om verzocht en heeft ook geen vordering tot voeging of tussenkomst ingediend.

De kantonrechter oordeelt, dat onder die omstandigheden de voorwaarde waaronder eiser afstand van instantie heeft gedaan is vervuld. Op grond van artikel 249 lid 1 Rv kan de eiser afstand doen van instantie, zolang de gedaagden niet voor antwoord hebben geconcludeerd. dat is hier het geval. Op grond van artikel 249 lid 2 Rv is eiser verplicht de proceskosten van gedaagde(n) te betalen, waartoe op grond van artikel 250 lid 4 Rv een bevelschrift kan worden afgegeven.  Afstand van instantie heeft ingevolge artikel 250 lid 3 Rv tot rechtsgevolg dat, kort gezegd, de rechtstoestand van vóór de aanvang van de procedure herleeft.

Nu gedaagden nog niet van antwoord hebben gediend is aan de wettelijke voorwaarde voor afstand van instantie voldaan. De verschenen gedaagden zijn geen griffierecht verschuldigd, terwijl zij bij gebreke van een proceshandeling evenmin aanspraak kunnen maken op een bedrag aan salaris gemachtigde. Onder deze omstandigheden hebben de verschenen gedaagden geen recht op proceskosten en behoeft daarvoor geen bevelschrift te worden gegeven.

Volledig vonnis: Rechtbank Amsterdam, sector kanton | 9 juli 2013 | ECLI:NL:RBAMS:2013:4439