Onjuiste procesvolmacht

Rechtbank Rotterdam | 23 januari 2013 | LJN BZ3254 – Procesrecht. Onjuiste procesvolmacht bestuur VvE leidt tot niet-ontvankelijkheid. In het kort komt het relevante in onderhavige zaak op het volgende neer. Marcan Vastgoed B.V. (hierna: “Marcan”) is eigenaar van een appartement in het appartementengebouw VvE Wolphaertsbocht 319/323 en Pleinweg 173/177 (hierna: “de VvE”). In de akte van splitsing is MR1973 van toepassing verklaard. Marcan stelt schade te hebben geleden doordat er in haar appartement lekkage is opgetreden en vordert bij de rechtbank Rotterdam van de VvE vergoeding van de schade die zij ten gevolge van de lekkage heeft geleden. De VvE stelt hier tegenover dat Marcan de bestemming van het souterrain zonder toestemming van de VvE heeft gewijzigd van cafébedrijf naar seksinrichting. De VvE vordert derhalve in reconventie onder andere het appartement niet anders te gebruiken dan cafébedrijf. Marcan stelt ten aanzien van de vordering in reconventie dat de VvE op grond van artikel 40 lid 4 MR1973 niet ontvankelijk verklaard moet worden. Artikel 40 lid 4 MR1973 luidt als volgt:

Hij behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen alsmede voor het aangaan van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader in de akte te bepalen bedrag te boven gaande. Hij behoeft geen machtiging om verweer te voeren in een kort geding.

De VvE betwist het niet-ontvankelijkheidsverweer van Marcan en stelt dat de advocaat op de ledenvergadering van 23 november 2011 de processtukken heeft besproken. In deze vergadering is de advocaat ook gemachtigd voort te gaan met zijn werkzaamheden. Uit de notulen blijkt duidelijk dat deze toestemming ten aanzien van een tweede kort geding procedure tegen Marcan is gegeven. Ten aanzien van onderhavige procedure blijkt uit de notulen geen expliciete machtiging om namens de VvE in de procedure op te treden. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende:

Voordat aan een inhoudelijke beoordeling wordt toegekomen, dient het verweer van Marcan te worden beoordeeld dat de bestuurder van de VvE een voor het voeren van (verweer in) deze procedure vereiste machtiging ontbeert. Marcan heeft in dat kader gewezen op het bepaalde in artikel 40 lid 4 van het modelreglement dat bepaalt dat de bestuurder van de VvE de machtiging behoeft van de vergadering (van eigenaars) voor (onder meer) het instellen van rechtsvorderingen. Artikel 40 lid 4 bepaalt voorts dat voor het voeren van verweer in kort geding geen machtiging vereist is. De VvE heeft gesteld dat de bestuurder wel over een machtiging tot het voeren van verweer in deze procedure en het instellen van een (tegen)vordering beschikt. Volgens de VVE is ter vergadering van 23 november 2011 de conclusie van antwoord en de conclusie van eis in reconventie besproken en is de advocaat van de VvE gemachtigd om voort te gaan op de ingeslagen weg. Een en ander volgt volgens de VvE ook uit de notulen van de vergadering van 23 november 2011.

7.1.2 De rechtbank overweegt als volgt. De VvE heeft niet betwist dat voor het voeren van verweer in een bodemzaak als hier aan de orde en voor het instellen van een (reconventionele) rechtsvordering toestemming van de vergadering van eigenaars vereist is. Dat volgt ook uit artikel 40 lid 4 van het modelreglement waarin staat dat het bestuur – in het modelreglement nog conform de oude wettekst aangeduid als de administrateur – de machtiging van de vergadering behoeft voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen. Slechts voor het voeren van verweer in kort geding maakt artikel 40 lid 4 een uitzondering; daarvoor behoeft het bestuur geen machtiging. Dat het bestuur over een machtiging beschikt tot het voeren van verweer en het instellen van een tegenvordering in deze procedure volgt, anders dan de VvE heeft aangevoerd, niet zonder meer uit de notulen van de vergadering van 23 november 2011. Uit deze notulen volgt dat mr. Houweling tijdens de vergadering van 23 november 2011 een uiteenzetting heeft gegeven van de lopende gerechtsprocedures terzake het geschil met Marcan. Voorts volgt uit de notulen, met name onder punt 6, dat de VvE kennelijk heeft gestemd over een voorstel om mr. Houweling te machtigen om namens de VvE op te treden in de door Marcan aangespannen (tweede) kort gedingprocedure. Blijkens de notulen is dat voorstel aangenomen. Uit de notulen volgt niet dat ook met betrekking tot de onderhavige procedure een dergelijk besluit is genomen. Uit de machtiging tot het voeren van verweer (en mogelijk het instellen van een tegenvordering) in het bedoelde kort geding, kan niet worden afgeleid dat de VvE ook heeft ingestemd met het voeren van verweer en het instellen van een tegenvordering in deze procedure. Vooralsnog staat dan ook niet vast dat de VvE is verschenen in de procedure in conventie, terwijl de VvE in reconventie in beginsel niet-ontvankelijk is in haar vordering. De VvE zal in de gelegenheid worden gesteld deze gebreken te herstellen. Dat kan zij doen door bekrachtiging van het gevoerde verweer en de ingestelde tegenvordering door de vergadering van eigenaars. De VvE zal bij akte kunnen aangeven of het gebrek al dan niet is hersteld.

Toelichting Onderhavige uitspraak van de Rechtbank Rotterdam benadrukt een regelmatig voorkomend verschijnsel in procedures waar een VvE bij betrokken is: het ontbreken van een juiste machtiging van de vergadering om namens de VvE te procederen. Of voor het instellen van en het berusten in rechtsvorderingen, dan wel het verweer voeren in een tegen de VvE aanhangig gemaakte procedure toestemming van de ledenvergadering vereist is, hangt af van de inhoud van het splitsingsreglement. Relevante bepalingen ten aanzien hiervan zijn onder andere artikel 40 MR1973, artikel 41 MR1983, artikel 41 MR1992 en artikel 53 MR2006. De inhoud van deze bepalingen verschilt zodat het raadzaam is het splitsingsreglement voorafgaand aan zowel het instellen van een procedure als het voeren van verweer in een gerechtelijke procedure te raadplegen. Volledig vonnis: Rechtbank Rotterdam | 23 januari 2013 | LJN BZ0096 | Zaak- en rolnummer: 387331 / HA ZA 11-1925