Bijgeplaatste kast op het balkon leidt tot ontsierend aanzicht

LJN: BZ5730, Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 2013 – Een appartementseigenaar heeft op het balkon van zijn appartement een houten balkonkast laten timmeren tegen de zijwand van het balkon. De kast steekt een stuk boven de balkonrand uit en is duidelijk zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Een aantal eigenaars in het appartementengebouw neemt aanstoot aan deze ontsierende toevoeging op het balkon, waardoor tevens het aanzicht en het architectonisch uiterlijk van het gebouw blijvend is aangetast. Enige tijd na de plaatsing van deze balkonkast wordt er in de vergadering van eigenaars van het flatgebouw een besluit genomen, waarmee het Huishoudelijk Reglement (HHR) van de VvE wordt aangevuld met de volgende bepaling:

Men mag géén voorwerpen zoals rekken, kisten, kasten en dergelijke op de balkons plaatsen, welke boven de balustrade van het balkon uitsteken

Tegen de vaststelling van deze bepaling komt de eigenaar van het appartementsrecht waartoe het betreffende balkon behoort – nagenoemd de balkoneigenaar – in rechte op bij de kantonrechter met verzoek het besluit van de VvE nietig te verklaren. Als argument voert de balkoneigenaar daarbij aan dat het verbod in het HHR om rekken, kisten en kasten op het balkon te plaatsen die boven de aanwezige balustrade uitkomen, in strijd is met en een aantasting vormt van het privégebruik van het bij zijn woning behorende balkon. De kantonrechter wijst evenwel het verzoek van de balkoneigenaar af. Als gevolg daarvan is de aanwezigheid van de geplaatste balkonkast in strijd gekomen met de voormelde verbodsbepaling in het HHR.

Verder heeft de VvE bij de kantonrechter verzocht om haar (VvE) te machtigen zelf de bestaande balkonkast te doen aanpassen aan de voorschriften daaromtrent in het HHR. Dat betekent in de praktijk dat een stuk van de kast zal worden afgezaagd, waarmee de hoogte van de balkonkast wordt terug gebracht op niveau van de aanwezige balustrade. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen.

Het Hof gaat ervan uit dat het niet in strijd met de redelijkheid en de billijkheid is dat de VvE van de eigenaren verlangt dat zij ervan afzien voorwerpen op hun balkon te plaatsen die boven de balustrade uitsteken. Laten wij in de betreffende rechtsoverweging het Hof aan het woord, letterlijk luidende:

 “Tegenover het op zichzelf reële belang van de balkoneigenaar (toev.VK) om – kort gezegd – als appartementseigenaar en als eigenaar van de balkonkast gebruik te kunnen maken van de reeds geplaatste balkonkast en het balkon op de wijze die hem het beste bevalt, staat het belang van de VvE om het uiterlijk aanzien van het flatgebouw in een staat te houden of te brengen die de overgrote meerderheid van de leden wenselijk acht, dat wil zeggen in een staat waarbij geen voorwerpen boven de balustrade uitsteken. Dat is ook een reëel belang. Indien de balkonkast boven de balustrade uitsteekt, is deze zichtbaar vanaf de openbare weg en is de kast dus van invloed op het uiterlijk aanzien van het gebouw.

De VvE kon in redelijkheid tot het besluit komen dat laatst bedoeld belang zwaarder weegt “.

In deze uitspraak van het Hof worden ook enkele andere bezwaren betreffende de vastgestelde jaarrekening van de VvE behandeld welke hier verder niet worden besproken, omdat deze geheel los staan van de problematiek van de geplaatste balkonkast.

Wat leren we hiervan

Bij veel VvE’s kent het Splitsingsreglement (SR) of het Huishoudelijk Reglement (HHR) een regeling over op-, aan- of bijbouw. Art. 22 van het Model Reglement van splitsing in appartementsrechten van 2006, vastgesteld door de Koninklijke Notariële Beroepsvereniging (MR 2006) bepaalt in lid 1 dat iedere op-, onder- of bijbouw zonder voorafgaande toestemming van de vergadering verboden is. Art. 23 MR 2006 legt de eigenaars, maar – let op – ook de gebruikers van een appartementswoning de verplichting op om toestemming te vragen aan de vergadering van eigenaars als een beoogde verandering zou kunnen leiden tot een wijziging in de constructie van het gebouw of tot een wijziging van het architectonisch uiterlijk. De toestemming kan niet worden verleend indien de hechtheid van het gebouw door de verandering in gevaar kan worden gebracht. Zo zou door plaatsing van een zware balkonkast bij voorbeeld het maximale draagvermogen van het balkon overschreden kunnen worden en de voormelde hechtheid van het gebouw kunnen worden aangetast. Denk aan de destijds afgebroken balkons in de Keramiekwijk in Maastricht.

In de praktijk wordt bij aan- en opbouw ook wel eens – op voorschrift van de brandweer – de vrij te houden vluchtroute over het hoofd gezien. Zo’n vluchtroute is nog al eens gepland via aanwezige balkons en galerijen. Daar mogen dus beslist geen doorgang belemmerende constructies geplaatst worden.

Tot slot kunnen de loze kapruimten in flatgebouwen genoemd worden. Deze worden nog al eens verbouwd tot studie- of hobbyruimte, met een vouwtrap bereikbaar vanuit de appartementswoning gelegen direct onder deze kapruimte. Maar deze kapruimte moet nu juist vrij blijven als vluchtroute en doorrenruimte bij brand of overstroming. Bovendien, maar dat terzijde wordt met deze privé bestemming onbevoegd gebruik gemaakt van een gemeenschappelijke ruimte voor privé doeleinden.

Volledige uitspraak: LJN: BZ5730, Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 2013