Besluit aktewijziging geluidsnorm vernietigd

Rechtbank Arnhem 20 december 2011, AZ / VERZ 11-7034

Vervolg op LJN: BL6841, Rechtbank Arnhem d.d. 24 januari 2010, ook op VvERecht.nl

In de zaak die uitspraak die leidde tot de uitspraak van de rechtbank Arnhem d.d. 24 januari 2010 (zie hierboven) vorderde de VvE verwijdering van de harde vloerafwerking in de woonkamer van een appartement en tevens een verklaring voor recht, dat in plaats van de negatieve isolatie-index voor contactgeluid (-10dB(A)) in de akte van splitsing een positieve waarde (+10dB(A)) wordt gelezen, daarbij ondersteund door een verklaring van de notaris die de akte passeerde. De rechtbank wees beide vorderingen af. Indien de verklaring voor recht zou worden gegeven, zou dat een inbreuk zijn op de rechtszekerheid die de akte van splitsing beoogt te dienen. De VvE is volgens de rechter aangewezen op een procedure tot wijziging van de akte van splitsing ex artikel 5:139 BW.

Daarop nam de ALV van de VvE het besluit tot wijziging van de akte van splitsing. Echter, in plaats van uitsluitend de negatieve waarde van de isolatie- index te wijzigen in een positieve waarde, nam de VvE in de akte van splitsing een geheel nieuwe norm op, te  weten ‘minimaal de waarde als vermeld in het Bouwbesluit dat gold ten tijde  van de afgifte van de bouwvergunning voor het gebouw’. Het besluit werd door de vergadering aangenomen.

Een van de bewoners kon zich daarmee niet verenigen en verzocht om nietigverklaring c.q. vernietiging van het besluit. In de hier behandelde uitspraak vernietigt de kantonrechter inderdaad het betreffende besluit tot wijziging van de akte van splitsing. De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan de VvE aannam, in de NEN-norm die in het gewijzigde artikel 17 lid 5 van het splitsingsreglement is opgenomen geen concrete geluidsnorm is neergelegd. De kantonrechter is gelet daarop met de verzoeker van oordeel, dat het huidige artikel 17 lid 5 van het splitsingsreglement minder waarborg biedt tegen geluidsoverlast dan het oorspronkelijke artikel, uiteraard indien van laatstgenoemd artikel de redactie wordt gewijzigd van -10dB in +10dB.  Het argument van de VvE, dat de gekozen open norm eenvoudig kan worden ingevuld in het huishoudelijk reglement, maakt dat niet anders volgens de kantonrechter, nu de belangen van verzoeker bij het voorkomen van geluidsoverlast op die wijze minder gewaarborgd zijn omdat het huishoudelijk reglement eenvoudiger te wijzigen is.

De kantonrechter, die zich overigens op grond van artikel 93 sub d jo. 94 lid 2 Rv ook bevoegd verklaart om van de verzoeken tot nietigverklaring kennis te nemen, komt tot de slotsom dat de VvE tracht met een huishoudelijk reglement een onjuist wijzigingsbesluit te repareren, terwijl niet is gebleken welk belang de VvE zou hebben dat prevaleert boven het belang van verzoeker  om met een neiuw besluit tot wijziging een beter of tenminste vergelijkbaar resultaat te bereiken. Zo heeft de VvE volgens de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij na afweging van alle belangen en relevante omstandigheden in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, zodat de kantonrechter wegens strijd met artikel 2:8BW het besluit tot wijziging van de akte van splitsing vernietigt.

Deze VvE heeft er maar moeite mee om te komen tot een passend reglement. Hier zijn de problemen ontstaan door in plaats van de positieve waarde in een negatieve waarde om te zetten, aan te sluiten bij een minder kenbare  en meer open norm. Overigens is niet zonder meer in te zien welke mogelijkheid de VvE nog zou hebben om in een huishoudelijk reglement tot een nadere objectivering van die Bouwbesluit-norm te komen, nu het Bouwbesluit zelf naar concrete normen verwijst. Meer of anders bepalen in een later vast te stellen huishoudelijk reglement zou daardoor snel nietig kunnen zijn wegens strijd met artikel 5:129 jo. 2:14 BW.

Het is overigens niet onrechtmatig om een open geluidsnorm op te nemen in de akte van splitsing, met daarbij de bepaling dat bij huishoudelijk reglement nadere voorschriften kunnen worden gesteld. In deze kwestie lijkt dat echter moeilijk, nu de akte van splitsing zelf al een concrete norm bevatte die alleen maar een kennelijke verschrijving bevatte. Door die concrete norm te vervangen voor een meer open norm, wordt inderdaad de rechtszekerheid van de bewoners ten nadele gewijzigd. Dat is naar mijn mening slechts mogelijk indien na een zorgvuldige afweging van alle belangen dat de meest redelijke uitkomst blijkt te zijn. Dat zal mijns inziens niet snel het geval zijn.

Een  interessant aspect in deze uitspraak is het door de kantonrechter gehanteerde toestingskader voor vernietiging van een ALV besluit. Mijns inziens past de kantonrechter artikel 2:8 BW te ruim toe door te oordelen dat de VvE in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunmnen komen, waardoor verneitiging op zijn plaats is. Artikel 2:8 BW spreekt van ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’, hetgeen zwaardere eisen stelt aan vernietiging dan alleen strijd met de redelijkheid. Een mogelijk voor een enkele appartementseigenaar onredelijk besluit hoeft immers nog niet onaanvaardbbaar te zijn. Artikel 2:8 schrijft een marginale en geen integrale toetsing voor. Met een meer terughoudende toets zou de rechter eveneens geldig hebben kunnen redeneren, dat de meerderheid van stemmen in de ALV op goede gronden tot de inhoud van artikel 17 lid 5 BW heeft kunnen komen, nu de inhoud van het beding kennelijk alleen onredelijk is in relatie tot de inhoud van het eerdere beding. Op zichzelf is het rechtsgeldig om een dergelijk beding in de akte op te nemen. De eigenaar die zich daarmee niet kan verenigen, is aangewezen op de vordering ex artikel 5:140a BW, een bijzondere dagvaardingsprocedure. Op grond van dat artikel wordt het besluit tot wijziging van de akte vernietigd wanneer eiser schade lijdt als gevolg van het besluit en hem geen redelijke schadeloosstelling wordt aangeboden. Daaruit blijkt wel, dat ook aktewijzigingen die nadelige gevolgen hebben voor de minderheid van artikel 5:139 lid 2 BW ( ten hoogste 20% van de stemmen) en in zoverre dus onredelijk kunnen zijn, door de rechter in stand gelaten kunnen worden. Kortom: niet elk nadeel of elke onredelijkheid van een besluit tot aktewijziging moet leiden tot vernietiging van dat besluit. Dat de kantonrechter hier op grond van de door verzoeker aangevoerde bezwaren wel toe heeft beslist is begrijpelijk, maar niet per se juist.

Klik hier voor de volledige uitspraak