Uitbouw woonappartement op privétuin

Gerechtshof Amsterdam | 15 november 2007 | ECLI:NL:GHAMS:2007:BC2947 – Een uitbouw (serre) vanuit een woning in een aangrenzende tuin, die beiden tot hetzelfde privégedeelte behoren, brengt geen wijziging in de goederenrechtelijke situatie met zich mee. Voor een dergelijke uitbouw is derhalve geen wijziging van de akte van splitsing vereist. Als gevolg hiervan dient een verzoek ex artikel 5:121 BW ter realisatie van de uitbouw derhalve ontvankelijk te worden verklaard.

Appellanten zijn eigenaars van twee appartementen in een appartementengebouw in Amsterdam en willen hun appartement op de begane grond uitbouwen in de tuin die eveneens tot hun privégedeelte behoort. De VvE heeft deze toestemming geweigerd.

Kantonrechter

Appellanten hebben daarom bij de kantonrechter te Amsterdam een verzoek ex. artikel 5:121 BW ingediend. In het verzoekschrift wordt onder andere verzocht om een vervangende machtiging ex artikel 5:140 lid 1 jo. lid 3 BW. De kantonrechter heeft in eerste aanleg appellanten niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek, omdat – kort gezegd – het plaatsen van de door appellanten gewenste serre het gevolg zal hebben dat de feitelijke situatie in strijd met de splitsingsakte zou komen zodat wijziging van de splitsingsakte nodig zou zijn.

Gerechtshof

Het gerechtshof volgt het oordeel van de kantonrechter niet en overweegt ten aanzien hiervan als volgt:

Het hof stelt vast dat de onderhavige serre geheel in de aan de woning grenzende tuin komt te staan. Aangezien de tuin reeds behoort tot de privé-gedeelten van [A] c.s., leidt het plaatsen van de serre niet tot een verandering in de begrenzing van de privé-gedeelten. Van een wijziging van de goederenrechtelijke situatie is dus geen sprake. Anders dan de VvE lijkt te betogen, treedt een dergelijke wijziging niet op doordat de achtergevel van het gebouw – krachtens artikel 9 lid 1 van het toepasselijke modelreglement behorend tot de gemeenschappelijke gedeelten – ter plaatse van de serre wordt doorgebroken. De omstandigheid dat (onder meer) de twee zijmuren, de achtergevel, het dak en de fundering van de te bouwen serre ingevolge artikel 9 lid 1 van het modelreglement tot de gemeenschappelijke gedeelten zullen gaan behoren, brengt evenmin een wijziging van de goederenrechtelijke situatie mee. Nu het plaatsen van de serre geen gevolgen heeft voor de goederenrechtelijke situatie, is wijziging van de splitsingsakte niet vereist. Dit betekent dat artikel 5:121 BW van toepassing is, zodat [A] c.s. in hun primaire verzoek kunnen worden ontvangen.

Daarnaast voert de VvE een aantal praktische bezwaren tegen de uitbouw aan. Tot de bezwaren van de VvE behoren onder andere inbreuk op de privacy, wijziging van het architectonisch uiterlijk, precedentwerking, afname van dag- en zonlicht en vrees voor bevuiling door duivenpoep. Het gerechtshof heeft al deze bezwaren gemotiveerd ter zijde geschoven en appellanten de vervangende toestemming verleend om de serres te realiseren. Hoewel zeer afhankelijk van de omstandigheden van het geval en derhalve niet toepasbaar op elk gelijksoortig geschil, zijn de overwegingen van het gerechtshof ten aanzien van de praktische bezwaren van de VvE tegen de serres de moeite waard om te lezen.

Het gerechtshof geeft wel gehoor aan het verzoek van de VvE om te bepalen dat de kosten van realisatie, onderhoud, herstel, vervanging en vernieuwing van de serre voor rekening van de betreffende eigenaar dienen te komen. Het gerechtshof oordeelt in aanvulling hierop dat:

op de voet van artikel 5:121 lid 2 en 3 BW, dat die eigenaren niet alleen de kosten van realisatie, maar ook de overige door de VvE genoemde kosten volledig zelf dienen te dragen, met dien verstande dat de kosten van onderhoud en dergelijke door [A] c.s. (en hun rechtsopvolgers) slechts behoeven te worden gedragen voor zover zij meer bedragen dan zonder de uitbouw het geval zou zijn geweest. Het verzoek van de VvE zal dan ook eveneens (met de aangegeven beperking) worden toegewezen.

Conclusie

Het gerechtshof is van oordeel dat de uitbouw vanuit de woning in de tuin, die beiden tot het privégedeelte van appellanten behoren, geen goederenrechtelijke wijziging de situatie met zich meebrengt. Voor een dergelijke uitbouw is derhalve geen wijziging van de akte van splitsing vereist. Als gevolg hiervan dient het verzoek ex artikel 5:121 BW derhalve ontvankelijk te worden verklaard en wordt appellanten een vervangende machtiging verleend om de uitbouw te realiseren.

Klik hier voor het volledige arrest