Appartementsrechtelijk procederen*

*Dit artikel werd gepubliceerd in Praktisch Procederen 2003, blz. 154-158 en is daarna niet geactualiseerd.

Op 24 september 2002 werd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wetsvoorstel 28 614[i] houdende wijziging van titel 5.9 (appartementsrecht) van het Burgerlijk Wetboek aangeboden. Het wetsvoorstel vloeit voort uit het pre-advies aan de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) van 1997 (“naar een vernieuwd appartementsrecht”)[ii], en is voorbereid door een werkgroep die door de KNB naar aanleiding van dit pre-advies in het leven was geroepen. Deze “werkgroep herziening appartementsrecht” stond onder voorzitterschap van prof. mr. A.A. van Velten en in de werkgroep hadden de leden van de commissie Beekhuis van de KNB, vertegenwoordigers van de Vereniging Eigen Huis en van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zitting. Daarnaast werden de vergaderingen van de werkgroep bijgewoond door de vertegenwoordigers van de Ministeries van VROM en Justitie.

Deze werkgroep heeft met als basis het pre-advies uit 1997 een advies voorbereid dat door de KNB eind 2001 werd aangeboden aan de staatssecretaris van VROM en de minister van justitie[iii]. Daarbij zijn een aantal door de preadviseurs wenselijk geachte wijzigingen, zoals bijvoorbeeld het koppelen van rechtspersoonlijkheid aan de gemeenschap van appartementseigenaars ter vervanging van de Vereniging van Eigenaars (hierna te noemen: VvE), incorporatie van een goederenrechtelijke regeling voor timesharing en wijzigingen in het procesrecht, niet overgenomen.

Met name dit Iaatste is voor de advocaat die een appartementsrechtelijke procedure moet voeren, een groot gemis. Procederen in appartementsrechtelijke aangelegenheden is namelijk vooral in de wettelijke regeling van het appartementsrecht zelf – en verre van consistent – geregeld.

In het appartementsrecht wordt namelijk op verschillende plaatsen voor specifieke gevallen in een aparte procedure voorzien. Bij oppervlakkige bestudering lijkt de wetgever in verband met deze procedures weliswaar consequent voor een verzoekschriftprocedure te hebben gekozen, maar bij nadere bestudering blijkt dat de wetgever niet consequent is geweest in zijn keuze voor een bepaalde rechtsingang.

Uit artikel 5:108 BW blijkt bijvoorbeeld, dat onder andere de verplichting van de appartementseigenaars om het appartementsgebouw in stand te houden regelt, in een dagvaardingsprocedure moet worden afgedwongen. In titel 5.9 BW worden op verschillende plaatsen voor bijzondere gevallen speciale procedures geregeld, die meestal via een verzoekschrift dienen te worden ingeleid. Deze in het appartementsrecht geregelde procedures hebben in het algemeen betrekking op aan het appartementsrecht eigen problemen.

Deze procedures zijn onder te verdelen in:

a. procedures met betrekking tot algemene onderwerpen;
b. procedures in verband met besluitvorming in de VvE;
c. procedures in verband met wijziging van de akte van splitsing of opheffing van de splitsing.

a. Procedures met betrekking tot algemene onderwerpen

De appartementsrechtelijke procedures met betrekking tot algemene onderwerpen zijn neergelegd in de art. 5:106 lid 6, 5:108, 5:116 lid 4, 5:121 en 5:138 BW.

  • artikel 5:106 lid 6 BW:
    Indien de grondeigenaar aan een erfpacht of opstal toestemming tot splitsing weigert, kan deze op verzoek van degene die haar behoeft worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter (verzoekschriftprocedure);
  • artikel 5:108 BW:
    Appartementseigenaars zijn verplicht de bouw en inrichting van het gebouw tot stand te brengen en in stand te houden in overeenstemming met de akte van splitsing. Naleving van deze verplichting kan worden gevorderd (dagvaardingsprocedure);
  • artikel 5:116 lid 4 BW:
    Op vordering van een grondeigenaar (erfverpachter of opstalverlener) kan een appartementsrecht, indien de canon of retributie over twee jaren onbetaald is gebleven, aan de grondeigenaar worden toegewezen. “De dagvaarding moet op straffe van niet ontvankelijkheid …” etc. (dagvaardingsprocedure);
  • artikel 5:121 BW:
    In sommige gevallen heeft de VvE (c.q. een van haar organen) toestemming of medewerking nodig van een of meer appartementseigenaars voor het verrichten van bepaalde handelingen. Evenzeer heeft een appartements-eigenaar voor het verrichten van bepaalde handelingen toestemming of medewerking van de VvE (c.q. een van haar organen) of een andere appartementseigenaar nodig.
    Indien in deze gevallen de toestemming of medewerking zonder redelijke grond wordt geweigerd of degene die haar moet verlenen zich niet verklaart, kan de kantonrechter op verzoek van degene die de toestemming of medewerking behoeft vervangende machtiging verlenen (verzoekschriftprocedure);
  • artikel 5:138 BW:

Geschillen over (de wijze van) herstel van een beschadigd gebouw worden op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter beslecht (verzoekschriftprocedure).

 b. Procedures in verband met besluitvorming in de Vereniging van Eigenaars

De appartementsrechtelijke procedures met betrekking tot besluitvorming in de VvE zijn neergelegd in de art. 5:128, 5:129 lid 1, 5:129 lid 2 juncto 5:130 BW.

  • artikel 5:128 BW:
    ledere appartementseigenaar kan de kantonrechter verzoeken om te beslissen dat een door de vergadering van eigenaars vastgestelde huishoudelijke regel ook voor een gebruiker (niet-)eigenaar geldt (verzoekschriftprocedure);
  • artikel 5:129 lid 1 BW:
    Voor toepassing van artikel 2:14 BW wordt ingevolge art. 5:129 lid 1 BW de akte van splitsing gelijk gesteld met de statuten. Artikel 2:14 heeft betrekking op nietigheid van besluiten van rechtspersonen. Een verklaring voor recht dat een bepaald besluit van een rechtspersoon nietig is, moet in het algemeen via een dagvaardingsprocedure worden gevorderd. Het appartementsrecht bevat hierop geen uitzondering, zodat nietigheid van een besluit van een orgaan van de VvE in beginsel via een dagvaardingsprocedure moet worden vastgesteld (dagvaardingsprocedure);
  • artikel 5:129 lid 2 juncto 5:130 BW:

Artikel 5:129 lid 2 regelt aanpassing van artikel 2:15 BW betreffende vernietigbaarheid van besluiten van rechtspersonen. In het algemeen moet de vernietiging van een besluit van een rechtspersoon op basis van artikel 2:15 BW in een dagvaardingsprocedure worden gevorderd.

Artikel 5:130 BW bepaalt in afwijking daarvan echter met betrekking tot besluiten van de VvE dat deze vernietiging aan de kantonrechter kan worden verzocht (verzoekschriftprocedure).

 c. Procedures in verband met wijziging van de akte van splitsing of opheffing van de splitsing

De appartementsrechtelijke procedures met betrekking wijziging van de akte van splitsing of opheffing van de splitsing zijn neergelegd in de art. 5:139 juncto 5:140, 5:141, 5:144 en 5:145 BW.

  • artikel 5:139 juncto 5:140 BW:
    Wijziging van de akte van splitsing kan slechts geschieden met medewerking van alle appartementseigenaars en toestemming van beperkt gerechtigden en beslagleggers. Deze voor wijziging vereiste medewerking of toestemming kan op verzoek van bepaalde appartementseigenaars door machtiging van de kantonrechter worden vervangen (verzoekschriftprocedure);
  • artikel 5:141 BW:
    Indien wijziging van de akte van splitsing plaatsvindt zonder de daarvoor vereiste toestemming van een bepaald persoon (beperkt gerechtigde of beslaglegger) is de wijziging De vernietiging kan door degene die toestemming diende te verlenen binnen een jaar na de wijziging worden gevorderd (dagvaardingsprocedure);
  • artikel 5:144 BW:
    In (de in art. 5:144 BW) bepaalde gevallen kan de akte van splitsing worden gewijzigd of kan de splitsing worden opgeheven op verzoek van een persoon wiens medewerking of toestemming tot wijziging van de akte van splitsing of opheffing van de splitsing is vereist (verzoekschriftprocedure);
  • artikel 5:145 BW:
    Op verzoek van de meest gerede partij stelt de kantonrechter het salaris van de in het kader van een vereffening van een VvE aangewezen vertegenwoordiger vast (verzoekschriftprocedure).

Indien Wetsvoorstel 28614 wordt aangenomen, zal aan deze waaier van procesingangen nog een nieuw artikel 5:140 a BW worden toegevoegd, dat voorziet in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank tot vernietiging van een besluit van de Vereniging van Eigenaars (VvE) tot wijziging van de akte van splitsing (welke mogelijkheid eveneens door wetsvoorstel 28614 wordt geïntroduceerd), binnen drie maanden nadat het desbetreffende besluit is genomen[iv].

Uit de opsomming van al deze procedures moge reeds blijken dat er geen sprake is van een consequent doorgevoerde keuze voor een dagvaardings- of verzoekschriftprocedure in het appartementsrecht. Voor bepaalde gevallen dient een verzoekschriftprocedure te worden gevolgd, voor andere een dagvaardingsprocedure.

De opgesomde expliciet geregelde procedures hebben gemeenschappelijk dat ze grotendeels betrekking hebben op nauwkeurig omschreven bijzondere gevallen. Een belangrijke uitzondering daarop vormt de in artikel 5:121 BW geregelde mogelijkheid om aan de kantonrechter vervangende machtiging voor het verrichten van bepaalde handelingen te vragen, indien de VvE of een appartementseigenaar zijn/haar daarvoor benodigde toestemming of medewerking zonder redelijke grond weigert of zich niet verklaart. Het zou te ver voeren om alle gevallen, waarin art. 5:121 BW van toepassing kan zijn, te trachten te beschrijven. Het artikel geeft een algemene procesingang voor niet concreet gespecificeerde gevallen. Indien een bepaalde te verrichten handeling aan de vereisten van artikel 5:121 BW voldoet, kan daarvoor de weg van de verzoekschriftprocedure tot verkrijging van vervangende machtiging worden bewandeld[v].

De hiervoor gegeven opsomming van procedures is uiteraard voor wat betreft de in het appartementsrecht optredende geschillen verre van limitatief. In ieder geval kan daaruit worden afgeleid dat in het appartementsrecht sprake is van een grote diversiteit aan mogelijk te volgen procedures, waarbij in concrete gevallen telkens zal moeten worden nagegaan of een bijzondere (verzoekschrift – of dagvaardings-) procedure moet worden gevolgd, danwel het algemene burgerlijk procesrecht van toepassing is.

In een aantal gevallen is er sprake van samenloop van procesingangen. Op andere plaatsen heb ik reeds uitvoerig aandacht besteed aan de samenloop van een verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de VvE (ex art. 5: 129 en 130 BW) en de vordering tot vaststelling van de nietigheid van zodanige besluiten ex art. 2:14 BW[vi].

In een procedure die in 2001 door de Rechtbank Rotterdam werd beslist, was er sprake van samenloop tussen een verzoek tot vernietiging van een besluit van de VvE ex art. 5: 129/130 BW en een verzoek om vervangende machtiging tot het uitvoeren van bepaalde handelingen ex art. 5:121 BW.

Rechtbank Rotterdam 27 September 2001 (zaak-/rekestnummers: 152179/ha RK 01­31; 160441/HA RK 01-151, niet gepubliceerd)

De beschikkingen van de rechtbank Rotterdam zijn in hoger beroep gegeven tegen twee beschikkingen van de Rotterdamse kantonrechter in twee procedures ex art. 5:121 resp. 5:129 en 130 BW tussen dezelfde partijen.

In casu hadden verzoekers, de heer en mevrouw De Boer (hierna aan te duiden als De Boer) een appartementsrecht in een appartementencomplex te Rotterdam. Als zodanig waren zij lid van de VvE (art. 5:125 lid 2 BW).Op 16 november 1998 verzochten De Boer aan de VvE toestemming voor het aanbrengen van een pijp door het plafond/dak van hun appartement ten behoeve van de afvoer van dampen vrijkomend bij het gebruik van een gas open haard (hierna: “de afvoerpijp”). De vergadering van eigenaars weigerde de toestemming op 13 maart 1999. De heer en mevrouw De Boer brachten desondanks de afvoerpijp aan, waarna de vergadering van eigenaars van 3 mei 2000 besloot tot het nemen van rechtsmaatregelen en tot het opleggen aan De Boer van een boete van NLG 10.000,-. De VvE vorderde daarop in kort geding verwijdering van de afvoerpijp, welke vordering echter – voor zover uit de beschikking van de kantonrechter is af te leiden – werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

De Boer verzochten vervolgens ex art. 5:121 BW aan de kantonrechter vervangende machtiging tot het aanbrengen van de afvoerpijp en ex art. 5:130 BW vernietiging , althans nietigverklaring, van de besluiten tot het nemen van rechtsmaatregelen en tot het opleggen van de boete.

Voor zover hier relevant bepaalt artikel 5:121 lid 1 BW dat een appartementseigenaar in alle gevallen waarin hij voor het verrichtten van een bepaalde handeling met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten of het gebruik, beheer of onderhoud van zijn privé-gedeelten medewerking of toestemming nodig heeft van de vereniging van eigenaars, die medewerking of toestemming op zijn verzoek kan worden vervangen door een machtiging van de bevoegde kantonrechter. De kantonrechter verleent de machtiging, indien degene die de toestemming of medewerking moet verlenen, deze zonder redelijke grond weigert of zich niet verklaart.

Vervangende machtiging (art. 5:121 BW)

 Zoals vermeld biedt artikel 5:121 BW de mogelijkheid om aan de kantonrechter vervangende machtiging voor het verrichten van bepaalde handelingen te vragen, indien de VvE of een appartementseigenaar zijn/haar daarvoor benodigde toestemming of medewerking zonder redelijke grond weigert of zich niet verklaart. In casu weigerde de VvE toestemming tot het plaatsen van een afvoerpijp, zodat verzoekers de kantonrechter om vervangende machtiging tot het plaatsen van zodanige afvoerpijp verzochten.

Ter onderbouwing van hun verzoek aan de kantonrechter ex art. 5:121 BW stelden verzoekers onder andere dat – kort gezegd – de normale procedure met betrekking tot vergelijkbare verzoeken aan de VvE niet was gevolgd en dat zij niet in staat waren gesteld het verzoek toe te lichten. De voorzitter van de vergadering van eigenaars had daarentegen tijdens de vergadering van eigenaars aangevoerd dat de afvoerpijp de dakconstructie ernstig zou verzwakken en de horizon zou vervuilen. Een andere appartementseigenaar merkte daarbij nog op dat in 1993 reeds was besloten dat er geen gaten in het dak mochten worden gemaakt en dat alle daartoe strekkende verzoeken sedert 1993 waren afgewezen.

Het verzoek is vervolgens – aldus verzoekers – niet in stemming gebracht (en dus niet zoals de notulen van de vergadering vermeldden unaniem afgewezen).

Verzoekers voerden subsidiair aan – voor zover het besluit wel was genomen – dat er sprake was van willekeur, omdat 8 andere eigenaars wel een open haard inclusief de ontluchtingspijp hadden aangebracht. De voorzitter van de vergadering van eigenaars had verzoekers ter zake desgevraagd medegedeeld (na eerst te hebben gesteld dat er 8 open haarden waren, waarvan slechts één met toestemming) dat slechts een viertal open haarden zou zijn aangelegd, waarvan slechts een na oplevering van het gebouw. Verzoekers wezen er voorts op dat andere eigenaars airconditioning unis en afzuig installaties op het dak hadden aangebracht, zich gemeenschappelijke gedeelten hadden toegeëigend etc, hetgeen door de VvE stilzwijgend was goedgekeurd. Verzoekers verwezen voorts nog naar het splitsingsreglement, waaruit impliciet de mogelijkheid van het hebben van een open haard kon worden afgeleid.

Volgens verzoekers was er noch sprake van verzwakking van de dakconstructies (er waren immers ook airconditioning units en ontluchtingspijpen aangebracht) noch van horizonvervuiling (aangezien er al airconditioning units en ontluchtingspijpen op het dak waren en de door De Boer gewenste afvoerpijp slechts 20 centimeter doorsnee zou hebben en “slechts” 1 meter hoog zou zijn).

Tenslotte betwistten verzoekers dat in 1993 een besluit was genomen dat geen gaten in het dak mochten worden gemaakt en voerden zij aan dat een verstoorde relatie met de voorzitter van de VvE aan de weigering ten grondslag lag.

De VvE stelde daartegenover dat een geldig besluit was genomen waarvan niet tijdig vernietiging was gevraagd, dat alle procedure regels in acht waren genomen en dat de weigering om de toestemming te verlenen marginaal moest worden getoetst. Op de vraag tijdens de ledenvergadering wie wilde stemmen zou niemand zich hebben gemeld, hetgeen de reden was dat in de notulen werd vermeld dat het verzoek met algemene stemmen was afgewezen.

De VvE voerde aan dat het verzoek terecht was geweigerd en zij betwistte de noodzaak van de gas open haard en het aanbrengen van een afvoerpijp door het dak. Afvoer via het balkon was ook mogelijk en zou minder verstrekkend zijn dan via het dak. Volgens de VvE was doorslaggevend wat de gemeenschap van appartementseigenaars mooi vindt en was het beleid er sinds 1992 op gericht om rookafvoer via kanalen in het dak tegen te gaan. Zij betwistte dat er sprake was van willekeur maar gaf aan dat sommige situaties uit het verleden nu eenmaal niet meer konden worden teruggedraaid.

De kantonrechter overwoog vervolgens, na te hebben vastgesteld dat verzoekers ontvankelijk waren in hun verzoek, dat hij zijn oordeel moest geven aan de hand van de vraag, of de VvE de toestemming zonder redelijke grond had geweigerd. Daarbij hoefde hij niet marginaal te toetsen, omdat artikel 5:121 spreekt van “zonder redelijke grond” en niet van “kennelijk zonder redelijke grond”.

De kantonrechter oordeelde vervolgens dat de door de VvE aangevoerde gronden, dat het beleid sedert 1993 erop was gericht een zo schoon mogelijk dak te hebben, dat onweersproken was dat zij dit beleid consequent had toegepast en dat het aanbrengen van o.a. afvoerpijpen kostenverhogend bij onderhoud van de dakbedekking werkte, als redelijke gronden voor weigering waren te beschouwen

De kantonrechter wees vervolgens het verzoek om vervangende machtiging af.

Vernietiging (art. 5:129 en 130 BW)

Zoals hiervoor al kort werd beschreven, regelt artikel 5:129 lid 2 BW aanpassing van artikel 2:15 BW betreffende vernietigbaarheid van besluiten van rechtspersonen ten behoeve van het appartementsrecht. In het algemeen moet de vernietiging van een besluit van een rechtspersoon op basis van artikel 2:15 BW in een dagvaardingsprocedure worden gevorderd. Artikel 5:130 BW bepaalt in afwijking daarvan echter met betrekking tot besluiten van de VvE dat deze vernietiging aan de kantonrechter kan worden verzocht (verzoekschriftprocedure). De gronden voor vernietiging zijn die van art. 2:15 BW, namelijk – voor zover in casu relevant – strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen of strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2: 8 BW wordt geëist.

Parallel aan de hiervoor beschreven procedure ex art. 5:121 BW verzochten de Boer vernietiging van de besluiten tot het nemen van rechtsmaatregelen en het opleggen van de boete ad NLG. 10.000,- ex art. 5:130 BW. Daartoe wisselden partijen grosso modo de zelfde standpunten uit als in de hiervoor beschreven procedure tot het verkrijgen van vervangende machtiging, waarbij verzoekers hun verzoek om vernietiging van het besluit baseerden op strijd met de wettelijke en statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen, c.q. strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid. Verzoekers verzochten voor zover vereist tevens aan de kantonrechter om de litigieuze besluiten ex art. 2:14 BW nietig te verklaren. Voorts voerden zij nog aan dat zij pas bij kort geding dagvaarding van 29 mei 2000 zouden hebben vernomen dat een besluit tot het opleggen van een boete was genomen. Zij betwistten dat zodanig besluit daadwerkelijk was genomen. De VvE verwees echter naar de agenda voor de vergadering van 3 mei 2000, waarop de machtiging aan het bestuur om de boete op te leggen was geagendeerd, en betoogde op grond van het feit dat het verzoekschrift niet gedateerd was, ervan uit moest worden gegaan dat dit langer dan een maand na de vergadering van 3 mei 2000 (waar verzoekers met gemachtigde aanwezig waren) was ingediend. Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt inderdaad dat het verzoekschrift op 5 juni 2000 pas was ingediend.

De kantonrechter oordeelde allereerst – mijns inziens terecht[vii] – dat hij uit proceseconomische overwegingen en gelet op de onderlinge samenhang tussen respectievelijk het verzoek om nietigverklaring, c.q. vernietiging, zich tevens bevoegd achtte van het verzoek om nietigverklaring kennis te nemen (hoewel daarvoor strikt genomen een dagvaardingsprocedure bij de Rechtbank is voorgeschreven).

Vervolgens overwoog de kantonrechter – mijns inziens evenzeer terecht – in verband met de termijn van één maand waarbinnen het verzoek moet zijn ingediend, nadat de verzoeker van het aangevochten besluit kennis heeft genomen (of kennis heeft kunnen nemen) dat het verzoek tijdig was ingediend. Ook indien moest worden uitgaan van 3 mei als datum waarop verzoekers van de besluiten kennis hadden kunnen nemen, was het verzoek op 5 juni tijdig ingediend omdat de termijn pas begint te lopen op 4 mei en daarom zou aflopen in het weekend van zaterdag 3 juni en zondag 4 juni. Op basis van de algemene termijnenwet werd deze termijn van een maand tot maandag 5 juni verlengd.

De kantonrechter besloot vervolgens tot matiging van het boetebesluit, omdat de VvE in verband met de te maken kosten van rechtsbijstand de boete meteen op het (volgens de splitsingsakte) maximaal op te leggen bedrag had gesteld. Omdat deze motivering het boetebesluit niet kon dragen, achtte de kantonrechter matiging van de boete tot een bedrag ad NLG. 2.500,- geïndiceerd.

Vervolgens wees de kantonrechter de verzoeken tot vernietiging, c.q. nietigverklaring van de aangevochten besluiten af, waarbij hij in het dictum verzuimde de opgelegde boete zoals aangegeven tot NLG. 2.500,- te matigen.

In het door De Boer ingestelde hoger beroep en het door de VvE ingestelde incidenteel appel voerden De Boer diverse grieven aan en stelden zij voorts dat de VvE in het incidenteel appel niet ontvangen kon worden, omdat de vergadering van eigenaars het bestuur van de VvE daartoe niet had gemachtigd krachtens artikel 41 lid 4 van het splitsingsreglement.

De Rechtbank oordeelde, na weging van de feiten, om vergelijkbare redenen als de kantonrechter dat de toestemming tot het plaatsen van de afvoerpijp op redelijke grond was geweigerd, zodat de gevraagde vervangende machtiging terecht eveneens was geweigerd.

Vervolgens oordeelde de rechtbank met betrekking tot het vernietigingsverzoek eveneens dat er geen sprake was van strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen of van strijd met de redelijkheid die door artikel 8 wordt geëist.

Tot slot

De hier beschreven casus illustreert de valkuilen die in het appartementsrecht op procesrechtelijk gebied omzeild moeten worden (en in casu ook – in procesrechtelijke zin – met succes werden omzeild). Hetzelfde feitencomplex was immers aanleiding tot enerzijds een verzoek tot vernietiging en anderzijds een verzoek om vervangende machtiging. Verzoekers hadden ook nog de vaststelling van nietigheid van de aangevochten besluiten verzocht. Dit laatste – dat eigenlijk in een dagvaardingsprocedure bij de Rechtbank moest worden gevorderd, was voor de kantonrechter geen bezwaar. De Rechtbank liet zich daarover niet uit.

Inmiddels is door de herziening van het burgerlijk procesrecht het verschil tussen beide procedures nog kleiner geworden, omdat de kantonrechter inmiddels deel uitmaakt van de Rechtbank. Het is hoog tijd dat de wetgever een verdere stroomlijning aanbrengt.

 

Maastricht, juni 2003
R.F.H. Mertens

[i] Tweede Kamer, 2002-2003, 28 614, nummers 1-2, 3. Inmiddels bracht de vaste commissie voor Justitie op 26 november 2002 haar verslag uit over dit werstvoorstel; zie Tweede Kamer,2002-2003, nr. 4

[ii] Het preadvies werd becommentarieerd door C.A. Kraan in Bouwrecht 1998, blz. 196 e.v., door G.E. van Maanen, Appartementsrecht en broederschap in WPNR 6289 (1997), blz. 524 e.v., alsmede door P.H.M. Gerver in WPNR 6279 (1997), blz. 497 e.v.

[iii] Dit advies is als bijlage gepubliceerd bij A.A. Van Velten, Naar een vernieuwd appartementsrecht!, WPNR 6468 (2001), blz. 1009 e.v.

[iv] Dit in afwijking van art. 5:130 BW, waar voor vernietiging van besluiten van de VvE kort gezegd een verzoekschriftprocedure binnen een maand nadat de verzoeker van het besluit heeft kennis kunnen nemen, wordt voorgeschreven.

[v] Zie onder andere losbladige editie Zakelijke Rechten (Mertens), art. 121, aant. 1-4

[vi] Zie bijvoorbeeld C. Venemans, G. Verdoes Kleijn en R.F.H. Mertens, Naar een vernieuwd appartementsrecht, Preadvies KNB 1997, Lelystad 1997, hoofdstuk 9; R.F.H. Mertens, WPNR 6228 (1996) en A.A. van Velten, WPNR 6231 (1996).

[vii] Zie ook C. Venemans, G. Verdoes Kleijn en R.F.H. Mertens, Naar een vernieuwd apparte-mentsrecht, Preadvies KNB 1997, Lelystad 1997, hoofdstuk 9; R.F.H. Mertens, WPNR 6228 (1996) en A.A. van Velten, WPNR 6231 (1996).